Zichtrekening in nalatenschap: gevaar voor dubbele belasting

Terug naar het overzicht

23 september 2022

Zichtreken­ing in nalaten­schap: gevaar voor dubbele belasting

Bij over­li­j­den van één van de oud­ers zullen de meeste fam­i­lies de nalaten­schap niet echt verde­len. De langstlevende part­ner kan op die manier verder, zon­der het gevoel te hebben dat naast zijn part­ner ook nog eens de helft van zijn ver­mo­gen verd­we­nen is. Mooi, maar een dubbele belast­ing loert om de hoek.

Stan­daard­nalaten­schap

Stel dat we te mak­en hebben met een fam­i­lie van 2 oud­ers en 2 kinderen, waar er geen bij­zon­dere regelin­gen getrof­fen wer­den. Bij over­li­j­den van de eerste oud­er kri­jgt de langstlevende oud­er de helft van het gemeen­schap­pelijk ver­mo­gen in volle eigen­dom en de andere helft in vrucht­ge­bruik. De blote eigen­dom daar­van gaat naar de kinderen.

Als die eigen­dom uit een onroerend goed bestaat, is dat duidelijk: de langstlevende part­ner bli­jft in de won­ing wonen, deels als volle eige­naar en deels als vrucht­ge­bruik­er. Maar wat met de bank­te­goe­den? Bijvoor­beeld een spaar­reken­ing? Of een beleggingsportefeuille? 

In de prak­tijk wor­den die gelden gewoon op de reken­ing gelat­en en wordt de gemeen­schap­pelijke reken­ing omgezet naar een reken­ing op naam van de langstlevende part­ner. Het geld wordt niet verdeeld. 

Gevaar voor dubbele belasting

Er ontstaat echter een finan­cieel prob­leem wan­neer de langstlevende part­ner over­li­jdt, omdat op dat ogen­blik de kinderen wél zullen over­gaan tot de effec­tieve verdel­ing van de nalaten­schap. De som op de spaar­reken­ing of de beleg­gingsporte­feuille zal dan automa­tisch opnieuw in de nalaten­schap terecht komen, ter­wi­jl de helft ervan al in blote eigen­dom toe­be­ho­orde aan de kinderen. In principe zou daarop geen erf­be­last­ing meer ver­schuldigd mogen zijn.

Vla­bel – en ook de fed­erale belastin­gad­min­is­tratie – heeft alti­jd aan­vaard dat de erf­ge­na­men mogen aan­to­nen dat de betrokken som­men niet meer in de nalaten­schap thuis horen. 

Het prob­leem is echter dat de som­men uit de nalaten­schap intussen ver­mengd wer­den met de eigen gelden van de langstlevende part­ner en die som­men nog moeil­ijk te iden­ti­fi­ceren zijn.

Dat is bijvoor­beeld het geval met zichtrekenin­gen. De som die orig­i­neel op de reken­ing stond, verd­wi­jnt naar­mate de jaren ver­strijken en er inkom­sten op gestort wor­den en er uit­gaven gedaan wor­den.
Idem voor spaar­rekenin­gen, waar­van al eens wat wordt afge­haald en er dan weer wat wordt bijgestort. 

Het bewi­js dat het om een som uit de nalaten­schap gaat, is dus niet een­voudig te leveren.

Recht­spraak zet Vla­bel onder druk

In een con­creet geval dat voorgelegd werd aan de recht­bank van eerste aan­leg in Gent en ver­vol­gens aan het hof van beroep van Gent oordeelden de rechters telkens dat de kinderen bij het over­li­j­den van de langstlevende oud­er een per­soon­lijke vorder­ing had­den op die nalaten­schap, ter waarde van de som­men waarop zij bij het eerste over­li­j­den, erf­be­last­ing had­den betaald.
Die per­soon­lijke vorder­ing kon­den zij als schuld van de nalaten­schap in aftrek bren­gen, zodat de belast­bare basis effec­tief daalde.
Er is deze uit­spraak, maar intussen werd er ook een nieuw boek over goed­eren­recht in ons Burg­er­lijk Wet­boek opgenomen.

Nieuw goed­eren­recht

Ook onder het oude goed­eren­recht maak­te men al een onder­scheid tussen de zoge­naamde per­soon­lijke vorderin­gen en de zake­lijke vorderin­gen:
- Een zake­lijke vorder­ing heeft betrekking op een bepaalde zaak. Ik geef u goed X, en u moet mij goed X teruggeven.
- Een per­soon­lijke vorder­ing betekent dat ik u vraag om iets te doen.
Voor wat de gelden betre­ft is er een zake­lijke vorder­ing mogelijk, maar niet meer als er sprake is van een ver­meng­ing, want dan is die bepaalde zaak niet meer terug te vin­den. U moet dan terug­gri­jpen naar de per­soon­lijke vordering. 

In het nieuwe goed­eren­recht bli­jft dat onder­scheid bestaan. Maar er wordt een uit­zon­der­ing inge­bouwd wat de zake­lijke recht­en betre­ft : als een zake­lijk recht betrekking heeft op soort­goed­eren (dat zijn gelden of goed­eren die onder­ling inwis­sel­baar zijn), dan bli­jft het toch mogelijk om een zake­lijke vorder­ing in te stellen.

Vla­bel draait bij

De mening van de rechters en het nieuwe Burg­er­lijk Wet­boek hebben er in 2021 toe geleid dat Vla­bel zijn stand­punt heeft bijges­tu­urd. Als het tweede over­li­j­den plaats heeft na 1 sep­tem­ber 2021 (dat is de datum van inwerk­ingtred­ing van het nieuw goed­eren­recht van het Burg­er­lijk Wet­boek), dan hebben de erf­ge­na­men in principe een zake­lijk vorder­ing op het ver­mo­gen van de langstlevende. Dit houdt in dat het betrokken goed gewoon niet in de nalaten­schap zit en het ook niet moet wor­den aangegeven.

Vla­bel stel wel als voor­waarde dat de goed­eren nog vol­doende traceer­baar zijn. We denken bijvoor­beeld aan een som die aan­wezig was op de spaar­reken­ing en die intussen verder is aangegroeid. 

Als er echter niet vol­doende geld­mid­de­len aan­wezig zijn, dan hebben de erf­ge­na­men een per­soon­lijke vorder­ing, die in het passief van de nalaten­schap kan wor­den opgenomen.

Iets con­creter: stel dat bij het over­li­j­den van de eerste oud­er er een spaar­reken­ing was met daarop een bedrag van 200.000 euro. De helft daar­van – dus 100.000 euro – werd opgenomen in de aangifte van de eerste nalaten­schap.
Bij het over­li­j­den van de tweede oud­er staat er 120.000 euro op de reken­ing.
Met het nieuwe stand­punt van Vla­bel lijkt het erop dat de erf­ge­na­men nog enkel 20.000 euro in de aangifte voor de erf­be­last­ing moeten opne­men, omdat zij op die 100.000 euro een zake­lijke vorder­ing hebben.

Stel dat er op de spaar­reken­ing maar 60.000 euro meer stond. In dat geval kan het zake­lijk recht niet meer volledig uit­geoe­fend wor­den en hebben de erf­ge­na­men nog een per­soon­lijke vorder­ing van 40.000 euro op de nalaten­schap. Die som kan afgetrokken wor­den van de waarde van de andere bestand­de­len van de nalaten­schap (bijvoor­beeld van de waarde van de won­ing), als die er zijn.