Wonen op kosten van de vennootschap… Soms wel, soms niet

Terug naar het overzicht

21 januari 2022

Wonen op kosten van de ven­nootschap Soms wel, soms niet

De recht­spraak is niet een­duidig: als een ven­nootschap een won­ing in eigen­dom heeft, en deze won­ing enkel of vooral dient voor de huisvest­ing van de zaakvo­erder, zijn de kosten ver­bon­den aan die won­ing dan aftrek­baar? De recht­bank van Gent vond onlangs van niet, maar het hof van beroep van Gent vond op bij­na het­zelfde moment van wel.

De Gentse recht­bank over niet één, maar twee woningen

Een man en een vrouw hebben een ven­nootschap, die zij zelf omschri­jven als een vast­goed­ven­nootschap. De ven­nootschap kwam tot stand na enkele fusies en had in de porte­feuille een han­delspand, een apparte­ment in Knokke-Heist en een won­ing in Grem­ber­gen. In okto­ber 2014 ver­plaatst het kop­pel zijn domi­cilie van de won­ing in Grem­ber­gen, naar het apparte­ment in Knokke-Heist, samen met de maatschap­pelijke zetel van de ven­nootschap. In maart 2015 wordt de won­ing in Grem­ber­gen verni­etigd door een brand. De schade­v­er­goed­ing lev­ert een meer­waarde op. De ven­nootschap wil die tijdelijk vri­jstellen. Dat kan als de ver­goed­ing weder­belegd worden.

In 2017 kri­jgt de ven­nootschap een grondi­ge con­t­role over de aanslag­jaren 2015 en 2016. Daar­bij stelt de fis­cus vast dat de onroerende goed­eren die aan de zaakvo­erder ter beschikking wor­den gesteld, niet in het kad­er van de activiteit­en wer­den aangewend. De kosten in ver­band met de wonin­gen zijn dus niet aftrek­baar. De meer­waarde op de won­ing in Grem­ber­gen kan boven­di­en niet wor­den vri­jgesteld omdat niet voldaan is aan de eerste voor­waarde voor die vri­jstelling – dat is dat het goed gebruikt moet wor­den voor de beroep­swerkza­amheid van de ven­nootschap. De meer­waarde is dus inte­graal belastbaar.

De Gentse rechter trekt meteen de kwal­i­fi­catie van ‘vast­goed­ven­nootschap’ in twi­jfel.
Er kan niet ontk­end wor­den dat er onroerende goed­eren in de ven­nootschap zit­ten, maar de recht­bank lijkt de ven­nootschap toch eerder als een pat­ri­mo­ni­umven­nootschap te beschouwen (dus als een ven­nootschap voor het beheer van het eigen ver­mo­gen), in plaats van als een vast­goed­ven­nootschap (dat is een ven­nootschap die han­delt in onroerende goederen). 

De recht­bank con­cludeert dat het feit dat de ven­nootschap gereg­istreerd staat als een vast­goed­ven­nootschap, nog niet betekent dat de kosten van de twee onroerende goed­eren bij wijze van automa­tisme als aftrek­bare beroep­skosten moeten wor­den beschouwd.

Het kop­pel beves­tigt dat ze de wonin­gen zelf gebruikt, maar het is de bedoel­ing om ze op ter­mi­jn te verkopen en dan zouden ze een meer­waarde opleveren. 

Maar zo’n the­o­retis­che over­weg­ing over­tu­igt de recht­bank niet: het feit dat de gebouwen ooit een meer­waarde zullen oplev­eren, wordt niet afdoende aange­toond. En zelfs als ze een meer­waarde zouden oplev­eren, dan is op van­daag niet voldaan aan de voor­waarde voor de aftrek­baarheid, ver­mits de meer­waarde van­daag geen vast­staand gegeven is.

Wat dan met de bezoldig­ings­the­o­rie?
Vol­gens die the­o­rie kan een ven­nootschap de kosten om een voordeel van alle aard toe te ken­nen aan haar bestu­ur­der uit hoofde van het uitoe­fe­nen van zijn beroep­swerkza­amheid bin­nen die ven­nootschap, kwal­i­fi­ceren als aftrek­bare beroep­skosten.
Dat is hier ook effec­tief het geval: de zaakvo­erder geni­et een belast­baar voordeel via de gratis woonst.

Wat bleek echter? De zaakvo­erder betaalde een eigen bij­drage voor de won­ing. Die eigen bij­drage werd geboekt op het debet van zijn reken­ing-courant. De bij­drage kwam exact overeen met het bedrag van het voordeel, waar­door de zaakvo­erder in de prak­tijk geen belast­ing moest betalen.

Vol­gens de recht­bank lei­dt de fis­cus daaruit terecht af dat de voorde­len niet als een bezoldig­ing kun­nen wor­den beschouwd, ver­mits het equiv­a­lent van het voordeel volledig werd geboekt en de zaakvo­erder dit voordeel dus dient terug te betal­en.
De bezoldig­ings­the­o­rie is dus niet van toepassing.

Het hof van beroep over een vil­la met zwembad

De zaak voor het Gentse Hof van Beroep betrof een vil­la met zwem­bad en pool­house, in han­den van een man­age­mentven­nootschap. De ven­nootschap gebruik­te het gebouw zelf voor 20%. De rest van de tijd werd het gebouw ter beschikking gesteld van de bedri­jf­slei­der, die op het voordeel belastin­gen betaalde.

De ven­nootschap beroept zich op de hogerver­melde bezoldig­ings­the­o­rie om de kosten ver­bon­den aan de won­ing voor 100% in aftrek te brengen.

De fis­cus ver­w­erpt de aftrek en argu­menteert dat de terbeschikking­stelling niet bedoeld is om de bedri­jf­slei­der te ver­goe­den voor zijn presta­ties in de ven­nootschap. De bedri­jf­slei­der ontv­ing ook een ver­goed­ing in geld en in het con­tract werd ner­gens meld­ing gemaakt van de won­ing als ver­goed­ing voor presta­ties. Maar de bedri­jf­slei­der ver­wi­jst naar de notulen van de algemene ver­gader­ing waarin wel uit­drukke­lijk ver­meld wordt dat de zaakvo­erder als bezoldig­ing voor de uitoe­fen­ing van zijn man­daat zow­el een peri­odiek loon in speciën kri­jgt, als voorde­len in natu­ra m.b.t. het privége­bruik van de woning.

De fis­cus wijst ook nog op de dis­pro­por­tion­aliteit tussen het bedrag van het belast­bare voordeel en het bedrag van de kosten. Maar dat argu­ment wordt zelden of nooit aan­vaard: dat het belast­baar voordeel veel klein­er is dan de werke­lijke waarde van het voordeel heeft te mak­en met de for­faitaire waarder­ing die wordt opgelegd door de fis­cus zelf.

Ten slotte ver­w­erpt het Hof ook het argu­ment dat de werke­lijke waarde van het voordeel bij­zon­der groot is. Dat is een oppor­tu­niteit­so­ordeel. Het Hof stelt vast dat er slechts één zaakvo­erder en aan­deel­houd­er is. Geen per­son­eel. De ven­nootschap heeft dankz­ij die zaakvo­erder een aanzien­lijk inkomen en een ven­nootschap mag een aanzien­lijk loon toeken­nen aan haar bedrijfsleider. 

Het ver­schil ?

Het arrest van het Gentse Hof van Beroep toont aan dat een won­ing in een ven­nootschap – met alle fis­cale voorde­len daar­van – nog wel kan. Het von­nis van de Gentse recht­bank toont dan weer aan dat het alti­jd een dubbelt­je op zijn kant is.

Het voor­naam­ste ver­schil tussen bei­de recht­sza­k­en lijkt te liggen in de vraag in welke mate de gratis woon­st een alter­natieve bezoldig­ing is. Er moet sprake zijn van een reden voor de ver­goed­ing. Dat lijkt in het arrest van het Hof het geval te zijn, in het von­nis van de recht­bank is dat veel min­der zo. Maar feit is dat wie het onder­ste uit de kan wil halen, weer­stand zal kri­j­gen van de fis­cus. En dan kan het lang duren…