Vlaamse erfbelasting voor familiale vennootschappen

Terug naar het overzicht

21 november 2020

Vlaamse erf­be­last­ing voor famil­iale vennootschappen

De Vlaamse erf­be­last­ing kent net als de andere gewest­en een bij­zon­der tarief als er een onderne­m­ing in de nalaten­schap zit. Het tarief op de over­dracht na over­li­j­den (maar ook bij schenk­ing) bedraagt voor famil­iale onderne­min­gen slechts 3%. Pat­ri­mo­ni­umven­nootschap­pen zijn uit­ges­loten maar zij kun­nen bewi­jzen dat zij toch als famil­iale onderne­m­ing kwalificeren.

Wat zegt de Vlaamse Codex Fis­caliteit (VCF) over patrimoniumvennootschappen?

Van­daag de dag is de defin­i­tie van famil­iale ven­nootschap­pen: “een ven­nootschap die de uitoe­fen­ing van een nijverheids‑, handels‑, ambachts- of land­bouwac­tiviteit, of van een vrij beroep tot doel heeft en uitoefent”.

Ver­vol­gens bepaalt de VCF dat ven­nootschap­pen die geen reële economis­che activiteit hebben, uit­ges­loten wor­den van het ver­laagde tarief.
En dan installeert de VCF een ver­moe­den dat een ven­nootschap geacht wordt geen reële economis­che activiteit te hebben als uit de bal­ans­posten van de goedgekeurde jaar­reken­ing van min­stens een van de drie boek­jaren vooraf­gaand aan de datum van over­li­j­den van de erflater cumu­latief blijkt dat:

de bezoldigin­gen, sociale las­ten en pen­sioe­nen een per­cent­age gelijk of lager dan 1,50% uit­mak­en van de totale acti­va; en

de ter­reinen en gebouwen meer dan 50% uit­mak­en van het totale actief. De verkri­jger kan het tegen­be­wi­js daar­van leveren.

Let op de woor­den “de verkri­jger kan het tegen­be­wi­js daar­van lev­eren”: die zit­ten vast aan de voor­gaande zin.

Wat zei het decreet vroeger over patrimoniumvennootschappen?

De VCF dateert van 2014 en is eigen­lijk de coör­di­natie van alle Vlaamse bepalin­gen die in de ver­schil­lende fed­erale wet­boeken wer­den opgenomen. Onder de oude wet stond de vri­jstelling dus in het wet­boek der successierechten.

Die oude bepal­ing zei exact het­zelfde als diegene die nu in het VCF staat. Er is echter een klein ver­schil. Onder de oude wet­gev­ing is het ver­moe­den van toepass­ing als cumu­latief blijkt dat:

de bezoldigin­gen, sociale las­ten en pen­sioe­nen een per­cent­age gelijk of lager dan 1,50% uit­mak­en van de totale acti­va; en

de ter­reinen en gebouwen meer dan 50% uit­mak­en van het totale actief.

De verkri­jger kan het tegen­be­wi­js hier­van leveren.

De mogelijkheid om het tegen­be­wi­js te lev­eren staat onder de bei­de “voor­waar­den” ter­wi­jl het in het VCF enkel bij de voor­waarde van 50% van het actief staat. En dat scheelt!

Een con­crete casus

Een man over­li­jdt en laat een onderne­m­ing na aan zijn echtgenote en zijn zoon. De onderne­m­ing is een ven­nootschap met daarin een been­houw­er­ij met een nor­male omzet. De ven­nootschap bez­it echter ook ver­schil­lende wonin­gen. Die wonin­gen hebben tot gevolg dat de voor­waar­den voor het ver­moe­den voldaan zijn.

De erf­ge­na­men menen dat er wel degelijk een economis­che activiteit is. Maar de Vlaamse belast­ing­di­enst meent dat, ver­mits bei­de voor­waar­den voldaan zijn, er geen beroep kan gedaan wor­den op het ver­laagd tarief. Boven­di­en meent de belast­ing­di­enst dat de mogelijkheid om het tegen­be­wi­js te lev­eren enkel slaat op de voor­waarde dat de ter­reinen en gebouwen meer dan 50% van het totale actief bedraagt.

Bewi­js dat er een economis­che activiteit is

Maar recht­bank van eerste aan­leg te Gent (von­nis van 4 feb­ru­ari 2020) legt de oude en de nieuwe “ver­sie” van de betrokken bepal­ing naast elka­ar en stelt vast dat er bij de over­dracht van het wet­boek der suc­cessierecht­en naar het VCF iets veran­derd is aan de bepaling.

De recht­bank meent dat de mogelijkheid om het tegen­be­wi­js te lev­eren zin­loos is als ze beperkt wordt tot de voor­waarde over de 50% van het totale actief. Dat tegen­be­wi­js is op zich “vol­strekt onmo­gelijk van zodra boekhoud­kundig vast­staat dat wel voldaan is aan de indi­ca­tor, ver­mits de boekhoud­kundi­ge bewi­js­meth­ode de enige is die door de uit­sluit­ingsclausule toege­lat­en wordt.”

De recht­bank gaat verder ook op zoek naar de oor­sprong van het ver­laagd tarief en stelt vast dat het ini­tieel wel degelijk de bedoel­ing was om de erf­ge­na­men toe te lat­en te bewi­jzen dat, niet­te­gen­staande de twee voor­waar­den voor de toepass­ing van het ver­moe­den voldaan zijn, er toch sprake is van een economis­che activiteit.

En dat is pre­cies wat er hier ook gebeurt. De erf­ge­na­men tonen aan dat er een been­houw­er­ij in de zaak zit, en dat er dus wel degelijk een gewone economis­che activiteit is: de ver­houd­ing tussen de opbrengst uit ver­hu­ur van onroerende goed­eren en de opbrengst uit de verkoop van han­dels­goed­eren bedroeg ongeveer 1 op 4. De onroerende goed­eren die ook in de ven­nootschap zit­ten hebben niet tot gevolg dat die economis­che activiteit ondergeschikt zou zijn.
Ver­mits het niet mogelijk is om het ver­laagd tarief te beperken tot de economis­che activiteit alleen, is het tarief van toepass­ing op de ganse onderneming.

Het ver­laagd tarief is dus ook mogelijk voor onderne­min­gen die niet exclusief met een puur economis­che activiteit bezig zijn. Een uit­ge­breid onroerend pat­ri­mo­ni­um is wel degelijk toege­lat­en maar enkel als er ook een andere economis­che activiteit is.