Verkoop gebouw met grond: hoe zit het met de BTW-aftrek?

Terug naar het overzicht

07 november 2020

Verkoop gebouw met grond: hoe zit het met de BTW-aftrek?

Als u BTW betaalt op ver­richtin­gen die betrekking hebben op een niet-BTW activiteit, dan is die BTW niet aftrek­baar. Bijvoor­beeld als uw economis­che activiteit bestaat uit de verkoop van grond, dan is de BTW op uw pub­liciteits­fac­tu­ur niet aftrek­baar. Maar wat als de verkoop van de grond ondergeschikt is aan de verkoop (met BTW) van het nieuw opgerichte gebouw?

Grond van de ene, gebouw van de andere

Een bouw­pro­mo­tor richt apparte­ments­ge­bouwen op, op de grond van een derde per­soon. De bouw­pro­mo­tor zal deze gebouwen verkopen met BTW. Maar de grond, die van een derde per­soon is, wordt verkocht met registratierechten.

De bouw­pro­mo­tor voert de nodi­ge pub­liciteit en maakt nogal wat kosten om de gebouwen te verkopen. De BTW op die kosten trekt hij af van de BTW die hij int op de verkoop van de apparte­menten. Maar vol­gens de BTW-con­troleur komen die pub­liciteits- en andere kosten niet alleen de verkoop van de gebouwen ten goede. Dankz­ij die kosten kun­nen ook de gron­den verkocht wor­den. De con­troleur ver­w­erpt daarom de BTW-aftrek in de mate dat de kosten betrekking hebben op die gron­den door sim­pel­weg de BTW te ver­menigvuldigen met een breuk met in de teller de pri­js van de grond en in de noe­mer de pri­js van grond en gebouw.

En dat is de start van een lange juridis­che discussie.

De Bel­gis­che recht­banken en hoven

De recht­bank van Gent staat de volledi­ge BTW-aftrek toe. Die recht­bank rede­neert dat de economis­che activiteit van de bouw­pro­mo­tor de verkoop van het gebouw én de grond is, en dat de gemaak­te kosten bijgevolg passen in die economis­che activiteit.

De zaak wordt opnieuw voorgelegd aan het hof van beroep te Gent dat de aftrek wil beperken. Het hof beves­tigt weliswaar dat de verkoop van de gebouwen en de gron­den wel een ver­band hebben met elka­ar. Maar ze kun­nen juridisch gezien ook apart wor­den verkocht, en dat gebeurde ook effec­tief. De kosten zijn daarom geen algemene kosten en moeten dus opge­s­plitst worden.

Ten slotte mocht het Hof van Cas­satie zich over de zaak buigen maar zij schoven de zaak meteen door naar het Hof van Justitie.

Europees Hof van Justi­tie — deel 1

Het Hof her­haalt in eerste instantie enkele basis­principes met betrekking tot de BTW-aftrek (arrest C‑405/19 van 1 okto­ber 2020).
Aftrek van BTW is mogelijk als er een recht­streeks en onmid­del­lijk ver­band is tussen de han­del­ing in een eerder sta­di­um en een of meer han­delin­gen in een lat­er sta­di­um waar­voor recht op aftrek bestaat. Dus als je dien­sten koopt om een verkoop met BTW te doen … dan is de BTW op de dienst aftrekbaar.

Maar er is ook zoi­ets als een recht op aftrek op algemene kosten. Dit soort kosten hebben geen recht­streeks en onmid­del­lijk ver­band met han­delin­gen die in een lat­er sta­di­um recht geven op aftrek. Ze geven wel aftrek als ze zodanig opgenomen zijn in de pri­js van de geleverde goed­eren of ver­richte dien­sten. Dit soort kosten houdt recht­streeks en onmid­del­lijk ver­band met de “gehele economis­che activiteit van de belast­ing­plichtige”.
Dit is in feite wat de recht­bank van Gent en het hof van beroep te Gent ook stelden, alleen liet het hof van beroep ver­vol­gens gelden dat de recht­streeks band tussen de kost en de BTW-han­del­ing niet voldaan was en sloot het daarom de aftrek uit.

Europees Hof van Justi­tie — deel 2

Gesteld dat er een ver­band is tussen de kost en de gehele economis­che activiteit van de belast­ing­plichtige, en een deel van de uit­gave komt een derde ten goede, is de aftrek dan nog mogelijk?
Het Hof van Justi­tie vin­dt van wel. De aftrek bli­jft mogelijk voor diegene die de uit­gave doet/​de kost draagt op voor­waarde echter dat het voordeel dat die derde heeft, ondergeschikt is aan de behoeften van de belast­ing­plichtige. “Ondergeschikt zijn” betekent voor het Hof dat de belast­ing­plichtige de kost heeft gedra­gen uit­slui­tend in eigen belang en dat de derde daar dus eigen­lijk eerder toe­val­lig van mee prof­i­teert.
In ons geval (de bouw­pro­mo­tor maakt kosten om zijn apparte­menten te verkopen) lijkt dat ook effec­tief het geval. De bouw­pro­mo­tor zou die kosten sowieso gemaakt hebben.

Europees Hof van Justi­tie — deel 3

Maar gaat die redener­ing ook op als er wel een recht­streeks ver­band is tussen de uitgave/​kost en de uit­gaande han­del­ing? Met andere woor­den, als we vast­stellen dat de kosten geen algemene kosten zijn maar spec­i­fiek wer­den aange­gaan voor de verkoop van de apparte­menten (met BTW) en van de gron­den (met registratierechten).

Daar is het Europees Hof veel strenger. Als er uit­gaven gemaakt wor­den die geen ver­band houden met de han­delin­gen van de belast­ing­plichtige maar met die van een derde (in ons geval de verkoop van de grond), dan is er geen recht op aftrek. Met han­delin­gen die deels voor de BTW-verkoop bestemd zijn en deels voor de verkoop met reg­is­tratierecht­en door een derde, is er dus geen 100% aftrek van de BTW op de uitgaven.

Terug naar Cassatie

Het Hof van Cas­satie had in zijn vraag aan het Europees Hof al lat­en uitschi­j­nen dat zij van mening zijn dat de de pub­liciteits- en andere kosten in dit geval niet echt als algemene kosten moesten gezien wor­den, maar “toewi­js­baar zijn aan wel­bepaalde han­delin­gen in een lat­er sta­di­um, waar­van er som­mige door de belast­ing­plichtige en andere door een derde wor­den verricht”.

Het valt dus te verwacht­en dat het Hof van Cas­satie het beroep tegen de besliss­ing van het hof van beroep van Gent zal ver­w­er­pen. Het lijkt daarom van belang dat er in dit soort sit­u­aties duidelijke afsprak­en zijn tussen de bouwheer en de gron­deige­naar zodat de BTW-aftrek gemax­i­maliseerd kan worden.