Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen

Terug naar het overzicht

20 augustus 2020

Onrecht­matige bedin­gen tussen ondernemingen

Een wet van 4 april 2019 legt gren­zen op aan afsprak­en die tussen onderne­min­gen (gemeen­za­am B2B genoemd) ges­loten wor­den. De wet treedt pas in werk­ing op 1 decem­ber 2020. U heeft dus nog even tijd om te kijken of de stan­daard­voor­waar­den in uw con­tracten in overeen­stem­ming zijn met deze zoge­naamde B2B-wet. U wil immers boetes en onzek­er­he­den vermijden.

Doel­stelling van de wet

De wet voert drie min of meer nieuwe begrip­pen in: een ver­bod op oneer­lijke mark­t­prak­tijken tussen onderne­min­gen, een ver­bod op mis­bruik van economis­che afhanke­lijkheid en een ver­bod op onrecht­matige bedingen.

Oneer­lijke mark­t­prak­tijken waren eerder ook al ver­bo­den. Maar in de B2B-wet wordt het nu verder ver­duidelijkt. Mark­t­prak­tijken van onderne­min­gen tegen­over andere onderne­min­gen zijn oneer­lijk als ze a) mis­lei­dend zijn b) agressief zijn of c) een daad in de hand werken die een overtred­ing vormt op delen van het wet­boek economisch recht. Dit deel van de wet trad al op 1 sep­tem­ber 2019 in werking.

Er is sprake van economis­che afhanke­lijkheid als een onderne­m­ing ten aanzien van één of meerdere andere onderne­min­gen niet beschikt over een redelijk equiv­a­lent alter­natief, beschik­baar bin­nen een redelijke ter­mi­jn, en onder redelijke voor­waar­den en kosten. Er kan sprake zijn van mis­bruik van die economis­che afhanke­lijkheid als de over­heersende onderneming:

een verkoop, een aankoop of van andere trans­ac­tievoor­waar­den weigert;

onbil­lijke aan- of verkoop­pri­jzen of van andere onbil­lijke con­tractuele voor­waar­den oplegt;

de pro­duc­tie, de afzet of de tech­nis­che ontwik­kel­ing ten nadele van de ver­bruik­ers beperkt;

ten opzichte van economis­che part­ners bij gelijk­waardi­ge presta­ties toch ongelijke voor­waar­den oplegt; of

het sluiten van overeenkom­sten afhanke­lijk stelt van het aan­vaar­den van bijkomende presta­ties die op zich geen ver­band houden met het onder­w­erp van de overeenkomst.

Deze regels inza­ke mis­bruik van economis­che afhanke­lijkheid moesten in werk­ing tre­den op 1 juni 2020. Maar omdat er over­lap­pin­gen waren met andere wet­boeken en wet­ten werd de inwerk­ingtred­ing ver­schoven naar 1 decem­ber 2020.

Ten slotte zijn er de onrecht­matige bedin­gen. De nieuwe wet definieert een onrecht­matig bed­ing als een bed­ing van een overeenkomst dat, alleen of in samen­hang met één of meer andere bedin­gen, een ken­nelijk oneven­wicht schept tussen de recht­en en plicht­en van de par­ti­jen.
Bovenop deze “open” omschri­jv­ing van wat onrecht­matig is, bevat de wet ook nog een gri­jze en een zwarte lijst van onrecht­matige bedingen.

Op de gri­jze lijst zien we onder meer:

het bed­ing waar­bij één onderne­m­ing zich het recht voor­be­houd om zon­der geldige reden de pri­js, de ken­merken of de voor­waar­den van de overeenkomst een­z­i­jdig te wijzigen;

een bed­ing waar­bij een onderne­m­ing elke aansprake­lijkheid afwi­jst voor het niet-uitvo­eren van de essen­tiële verbin­tenis­sen ook in geval van opzet of zware fout;

geen opzegter­mi­jn;

ken­nelijk onre­delijke schade­v­er­goedin­gen in geval van niet-uitvo­er­ing of ver­trag­ing in de uitvo­er­ing van de verbintenissen, …

Ze staan op de gri­jze lijst omdat een dergelijke bed­ing enkel het ver­moe­den draagt onrecht­matig te zijn. Tegen­be­wi­js is mogelijk.

Op de zwarte lijst staan bedin­gen die onrecht­matig zijn en waar tegen­be­wi­js niet mogelijk is. Het gaat om bedin­gen die:

voorzien in een onher­roe­pelijke verbin­te­nis van de ene par­tij ter­wi­jl de andere volledig vrij kan beslis­sen om uit te voeren of niet;

het een­z­i­jdi­ge recht geven om een bed­ing van de overeenkomst te interpreteren;

in geval van betwist­ing, de andere par­tij uit­sluiten van elk mid­del van ver­haal tegen de andere;

de ene par­tij verbinden zon­der dat deze ken­nis heeft kun­nen nemen van alle voor­waar­den van de overeenkomst.

Deze laat­ste set van regels zullen op 1 decem­ber 2020 in werk­ing tre­den en dan op overeenkom­sten die na die datum wor­den ges­loten, ver­lengd of gewi­jzigd. Overeenkom­sten die al van kracht zijn op die datum vallen er niet onder. Het geldt voor alle onderne­min­gen, ongeacht rechtsvorm of omvang. Zij is echter niet van toepass­ing op overeenkom­sten betr­e­f­fende finan­ciële dien­sten en overheidsopdrachten.

Onduidelijk kan ook onrecht­matig zijn

De nieuwe wet schri­jft voor dat bedin­gen tussen onderne­min­gen, ongeacht of ze in een overeenkomst staan of in de algemene voor­waar­den, duidelijk en begri­jpelijk moeten zijn. Een onduidelijk bed­ing is niet op zich onrecht­matig maar bij de beo­ordel­ing ervan kan dit een ele­ment zijn waar de rechter reken­ing mee kan houden.

Nietigheid

Is een bed­ing onrecht­matig of oneer­lijk, dat is het nietig. De overeenkomst kan bli­jven verder bestaan als de overeenkomst zon­der het bed­ing nog zin heeft.
Maar de benadeelde onderne­m­ing kan ook een schade­v­er­goed­ing eisen en de Bel­gis­che Mededing­ingsautoriteit kan boetes opleggen tot 2% van de omzet van de betrokken onderne­m­ing in geval van mis­bruik van de economis­che afhanke­lijkheid van een andere onderneming.

Con­creet

Omdat het nog koffiedik kijken is hoe de recht­banken deze regels con­creet zullen invullen, kun­nen we momenteel nog niet veel meer doen dan naar de wet kijken. Toch wordt alge­meen aanger­aden dat onderne­min­gen die met andere onderne­min­gen werken, hun algemene voor­waar­den en stan­daard­con­tracten door­licht­en op de aan­wezigheid van onrecht­matige bedin­gen. Vooral bedin­gen waar­bij opzeg, schade­v­er­goed­ing, uitvo­er­ing, … overge­lat­en wor­den aan de dis­cre­tion­aire bevoegdheid van slechts één van de par­ti­jen zon­der een even­wichtige tegenbe­d­ing zouden voor de rechter wel eens moeil­ijk te verdedi­gen kun­nen zijn.