Nieuwe steunmaatregel: vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor opleiding van werknemers

Terug naar het overzicht

18 februari 2021

Nieuwe ste­un­maa­tregel: vri­jstelling van doorstort­ing van bedri­jfsvoorheff­ing voor oplei­d­ing van werknemers

Bedri­jven die hun werkne­mers meer oplei­d­ing­suren toeken­nen dan regle­men­tair is vereist, geni­eten sinds 1 jan­u­ari 2021 van een vri­jstelling van doorstort­ing van bedri­jfsvoorheff­ing. Als de werkne­mer gedurende een onon­der­bro­ken peri­ode van 30 kalen­derda­gen min­stens 10 dagen oplei­d­ing vol­gt op kosten van de werkgev­er, dan moet de werkgev­er een bedrag gelijk aan 11,75% van de bezoldig­ing van de betrokken werkne­mer niet doorstorten aan de Schatkist.

Wie?

Alle werkgev­ers van de privé­sec­tor komen in aan­merk­ing voor deze nieuwe maa­tregel.
Voor de werkne­mers geldt als voor­naam­ste voor­waarde dat ze min­stens 6 maan­den in dienst moeten zijn. Daar­door komen oplei­din­gen en stages voor nieuwkomers niet in aan­merk­ing voor de vrijstelling.

Oplei­din­gen

De vri­jstelling geldt enkel voor de werkne­mers die oplei­din­gen hebben gevol­gd voor een min­i­male duur­tijd van 10 dagen, berek­end op een onon­der­bro­ken peri­ode van 30 kalen­derda­gen. De min­i­male duur­tijd van 10 dagen geldt voor volti­jdse tew­erk­stelling. Bij ver­min­derde arbeid, moet deze peri­ode van 10 dagen in dezelfde ver­houd­ing wor­den verminderd.

Het moet gaan om effec­tieve oplei­d­ings­da­gen. Was de werkne­mer ingeschreven maar kon hij niet deel­ne­men (bijvoor­beeld om gezond­hei­d­sre­de­nen), dan komt die dag niet in aan­merk­ing maar de peri­ode van 30 kalen­derda­gen kan wel ver­lengd wor­den in geval van opschort­ing van het arbei­d­scon­tract (bijvoor­beeld in geval van ziek­te van de werkne­mer, geboorte- of adop­tiev­erlof, stak­ing of lock-out).
De dagen waarop de oplei­d­ing wordt gevol­gd, zijn niet rel­e­vant: werkda­gen, verlofdagen,…

10 dagen op 30

De stan­daardregel is dus min­i­mum 10 dagen op een onon­der­bro­ken peri­ode van 30 kalenderdagen.

Is de werkgev­er een onderne­m­ing waarin ploe­ge­nar­beid of nachtar­beid wordt ver­richt, dan wordt de min­i­male duur­tijd van 10 dagen gedurende een onon­der­bro­ken peri­ode van 30 kalen­derda­gen ver­van­gen door een min­i­male duur­tijd van 10 dagen gedurende een onon­der­bro­ken peri­ode van 60 kalen­derda­gen (maar enkel als de werkne­mer in die onon­der­bro­ken peri­ode van 60 dagen een ploe­gen­premie krijgt).

Is de werkgev­er een kmo, dan wordt de voor­waarde van 10 dagen gedurende een onon­der­bro­ken peri­ode van 30 kalen­derda­gen ver­van­gen door “5 dagen oplei­d­ing gedurende een onon­der­bro­ken peri­ode van 75 kalenderdagen”.

Let op: een werkgev­er kan voor één en dezelfde werkne­mer deze vri­jstelling slechts 10 keer vra­gen.
Omge­keerd: een werkne­mer die al 10 keer recht gaf op deze ste­un­maa­tregel kan bij een vol­gende werkgev­er opnieuw tot 10 keer recht geven op de vri­jstelling van doorstorting.

Aard van de opleidingen

In principe komen alle oplei­din­gen in aan­merk­ing, zow­el formele als informele.
Oplei­din­gen die al ver­plicht zijn omwille van een wet­telijke of regle­men­taire bepal­ing of door een col­lec­tieve arbei­dsovereenkomst komen niet in aan­merk­ing. Daar­door zijn ver­plichte oplei­din­gen voor de toe­gang tot of het behoud van een beroep (bijvoor­beeld de ver­plichte voort­gezette oplei­d­ing voor een sta­giair notaris) of ver­plichte oplei­din­gen inza­ke vei­ligheid (bijvoor­beeld de ver­plicht­ing tot oplei­d­ing inza­ke asbest, zoals bedoeld in artikel VI.3 – 37 van de Codex over het welz­i­jn op het werk) uit­ges­loten.
Ook oplei­din­gen die in aan­merk­ing komen voor de bereken­ing van de nalev­ing van een wet­telijke oplei­d­ingsver­plicht­ing zijn uitgesloten.

Te dra­gen door de werkgever

De oplei­din­gen moeten beroep­skosten uit­mak­en voor de werkgev­er. Als de werkgev­er in fine niet de kosten draagt van de oplei­d­ing, heeft hij geen recht op de vrijstelling.

Vri­jstelling van doorstort­ing van bedrijfsvoorheffing

De vri­jstelling bedraagt 11,75% van het loon van het betrokken per­son­eel­slid. De grond­slag van die vri­jstelling wordt echter gepla­fon­neerd op 3.500 euro belast­baar loon per werkne­mer. Het deel van de bezoldig­ing dat dit pla­fond over­schri­jdt, komt niet in aan­merk­ing.
Dit pla­fond van 3.500 euro geldt voor een volti­jdse tew­erk­stelling: het wordt ver­min­derd in ver­houd­ing tot de arbei­d­sregeling van de betrokken werkne­mer.
Als de 10 oplei­d­ings­da­gen zich uit­strekken over 2 maan­den, dan wordt enkel de bezoldig­ing van de maand waarin de oplei­d­ing is afgerond, in aan­merk­ing genomen.

Voor­beeld

De werkgev­er heeft 10 werkne­mers en zal voor de maand maart in principe 9.500 euro bedri­jfsvoorheff­ing moeten betal­en aan de Schatk­ist.
Hij stu­urt 2 werkne­mers (A en B) naar een oplei­d­ing van 10 dagen die volledig in maart plaatsheeft.

Belast­baar loon

De belast­bare bezoldig­ing van A in maart is 2.400 euro, en omvat achter­stal­lige bezoldigin­gen van 245 euro.
De belast­bare bezoldig­ing van B in maart is 4.260 euro.

Bereken­ings­grond­slag van de vrijstelling

Werkne­mer A: 2.400 — 245 = 2.155 euro
Werkne­mer B: 4.260, beperkt tot 3.500 euro.

Bereken­ing van de vrijstelling

De vri­jstelling van doorstort­ing is gelijk aan 11,75% van (2.155 + 3.500) = 664,46 euro. Voor de maand maart 2021 zal de werkgev­er dus 9.500 — 664,46 ofwel 8.835,54 euro, aan de Schatk­ist moeten storten.

Inwerk­ingtred­ing

De maa­tregel trad in werk­ing op 1 jan­u­ari 2021. Con­creet betekent dit dat de eerste onon­der­bro­ken peri­ode van 30 kalen­derda­gen op 1 jan­u­ari 2021 begon. Heeft u een werkne­mer naar een oplei­d­ing ges­tu­urd die liep van decem­ber 2020 tot jan­u­ari 2021, dan is er slechts vri­jstelling mogelijk als het aan­tal oplei­d­ings­da­gen van jan­u­ari 2021 nog 10 dagen bereikt.