Nieuw invorderingswetboek en de inhoudsplicht ten aanzien van aannemers

Terug naar het overzicht

05 maart 2020

Nieuw invorder­ingswet­boek en de inhoud­splicht ten aanzien van aannemers

Op 1 jan­u­ari 2020 trad het ‘Wet­boek van de min­nelijke en ged­won­gen invorder­ing van fis­cale en niet-fis­cale schuld­vorderin­gen’ in werk­ing. Dit nieuwe wet­boek verza­melt en uni­formeert de min­nelijke en ged­won­gen invorder­ing van fis­cale en niet-fis­cale schuldvorderingen.

Hoofd­doel van het invorderingswetboek

Het hoofd­doel van het nieuwe wet­boek is de har­mon­isatie van alle fed­erale invorder­ingsregels. De nieuwe regels gelden:

voor bepaalde fed­erale belastin­gen, nl. de inkom­sten­be­lastin­gen, de bedri­jfsvoorheff­ing en roerende voorheff­ing , de btw, de met de inkom­sten­be­lastin­gen gelijkgestelde belastin­gen, de diverse tak­sen en het rolrecht;

inter­esten, boetes en ver­vol­gingskosten met betrekking tot de bovenge­noemde belastingen;

gewest­elijke belastin­gen waar­voor de dienst nog niet werd overgenomen door de gewest­en (in Wal­lonië wor­den momenteel nog veel gewest­elijke belastin­gen geïnd door de fed­erale overheid);

som­mige niet-fis­cale schulden.

Nieuw begrip: de medeschuldenaar

Een schulde­naar wordt omschreven als:

de per­soon op wiens naam de fis­cale en niet-fis­cale schuld­vorderin­gen zijn opgenomen in het kohi­er of in het innings- en invorder­ingsreg­is­ter, of tegen wie de rechter­lijke besliss­ing houdende vero­ordel­ing tot betal­ing van fis­cale en niet-fis­cale schuld­vorderin­gen werd uit­ge­spro­ken; en

in bij­zon­dere gevallen, de werke­lijke schulde­naar van de onroerende voorheffing.

Naast de schulde­naar is er de medeschulde­naar die omschreven wordt als de per­soon die niet in het kohi­er of in het innings- en invorder­ingsreg­is­ter is opgenomen en in de mate dat deze gehouden is tot de betal­ing van de fis­cale en niet-fis­cale schuld­vorderin­gen op grond van dit Wet­boek, de fis­cale wet­ten, de wet­telijke of regle­men­taire bepalin­gen met betrekking tot niet-fis­cale schuld­vorderin­gen of het gemeen recht.
Het gaat dan om per­so­n­en die onder de vroegere wet­gev­ing hoofdelijk aansprake­lijk waren voor de betal­ing van de belast­ing, zoals de echtgenoot, bestu­ur­ders, over­dragers van een han­dels­fonds, leden van een btw-eenheid.

Het nieuwe invorder­ingswet­boek biedt aan deze medeschuldenaren enkele extra recht­en toe… maar er zijn ook enkele voetan­gels.
Medeschulde­naars kun­nen voor­taan, net zoals de schulde­naar zelf, beroep doen op bemid­del­ing. Ook hebben ze het recht om een onbeperkt uit­s­tel van invorder­ing te vra­gen (wat neerkomt op een kwi­jtscheld­ing van de schuld).

Aan de andere kant kri­jgt de fis­cus ten aanzien van medeschuldenaren grotere invorder­ings­bevoegdhe­den. Zo kon­den erf­ge­na­men voor een belast­ingschuld wel als schulde­naar aange­spro­ken wor­den maar niet als belast­ingschuldige. Dat betekent dat de fis­cus bijvoor­beeld geen wet­telijke hypotheek kon ves­ti­gen op de per­soon­lijke goed­eren van de erf­ge­naam. Maar met de nieuwe wet zal dat dus wel kunnen.

Ver­ruimde inhoud­ingsplicht voor schulden van aannemers

Als u bouwheer bent of een aan­nemer en u doet bij werken in onroerende staat beroep op een aan­nemer of onder­aan­nemer die belast­ingschulden heeft op het ogen­blik van het afs­luiten van de overeenkomst, dan bent u hoofdelijk aansprake­lijk voor de betal­ing van de belast­ingschulden van die mede­con­trac­tant. Die hoofdelijke aansprake­lijkheid voor de fis­cale schulden, loopt op tot 35% van de totale pri­js van de werken of activiteit­en, exclusief btw.
Er geldt een gelijk­lopende regeling voor de RSZ-schulden van de aannemer/​onderaannemer. Daar loopt de hoofdelijke aansprake­lijkheid zelfs op tot 100% van de totale pri­js maar de hoofdelijke aansprake­lijkheid voor RSZ en fis­cale schulden samen mag ook niet meer dan 100% bedra­gen.
Dit geldt niet voor particulieren.

U kan die hoofdelijke aansprake­lijkheid ver­mi­j­den maar dan moet u een inhoud­ing doen op het bedrag dat u ver­schuldigd bent en de som doorstorten naar de fis­cus of RSZ. Voor de fis­cale schulden bedraagt die inhoud­ing 15%, voor RSZ bedraagt ze 35%. Op de web­site www​.check​in​houd​ingsplicht​.be kan u con­trol­eren of u een inhoud­ingsplicht heeft.
Als u de inhoud­ing en stort­ing cor­rect uitvo­ert dan bent u zoals gezegd ver­lost van de hoofdelijke aansprake­lijkheid. Doet u die inhoudin­gen echter niet cor­rect (u doet ze niet, of niet vol­doende of niet tijdig), dan bent u dus wel aansprake­lijk. De som­men die u al stortte wor­den gelukkig nog afgetrokken van de uitein­delijk ver­schuldigde som maar dat is slechts een magere troost.

Hoe ver­loopt het in de praktijk?

Als u op boven­ver­melde web­site vast­stelt dat u inhoudin­gen zal moeten doen, én het fac­tu­urbedrag bedraagt 7.143 euro of meer, dan moet u aan de mede­con­trac­tant een attest vra­gen dat het bedrag van de schuld weergeeft. De mede­con­trac­tant moet dat op zijn beurt bij de ont­vanger vra­gen. Dat attest is 20 dagen geldig. Uw inhoud­ing bedraagt in principe 15% van het fac­tu­urbedrag (excl. BTW). Als uit het attest blijkt dat de fis­cale en niet-fis­cale schulden hoger zijn dan de inhoud­ing, dan moet u effec­tief 15% inhouden, anders mag u uw inhoud­ing beperken tot het bedrag van de schuld. Ook als u het attest niet kri­jgt bin­nen de maand na de aan­vraag moet u 15% inhouden.
Voor de RSZ ver­loopt deze pro­ce­dure op dezelfde wijze maar daar bedraagt de inhoud­ing zoals gezegd in principe 35%.