Neerleggen van de jaarrekening: een klein beetje uitstel

Terug naar het overzicht

24 augustus 2020

Neer­leggen van de jaar­reken­ing: een klein beet­je uitstel

Echt uit­s­tel kun­nen we het niet noe­men: wie zijn jaar­reken­ing te laat neer­legt, zal een bij­zon­dere bij­drage voor laat­ti­jdi­ge neer­leg­gin­gen niet moeten betal­en. Maar, u kri­jgt slechts 2 maan­den extra.

Tijdig neer­leggen

Het WVV schri­jft voor dat de jaar­reken­ing van een ven­nootschap moet neergelegd wor­den door het bestu­ur­sor­gaan. Ze heeft daar­voor 30 dagen na de goed­keur­ing van de jaar­reken­ing. De jaar­reken­ing moet in elk geval neergelegd wor­den bin­nen de 7 maan­den na de afs­luit­ing van het boek­jaar.
Het wet­boek voorzi­et in eerste instantie als sanc­tie het ver­moe­den dat schade gele­den door der­den geacht wordt voort te komen uit die laat­ti­jdigheid. Maar dat ver­moe­den is weerlegbaar.

Sanc­tie

Er is echter ook een échte sanc­tie. Het gaat om een tarieftoes­lag, een bij­drage die ver­schuldigd is bovenop de gewone kosten voor open­baar­mak­ing van de jaar­rekenin­gen bij de Nationale Bank van Bel­gië. Het gaat om een “bij­drage in de kosten die de fed­erale over­heid maakt voor de opsporing en opvol­ging van onderne­min­gen in finan­ciële moeilijkheden”.

De tarieftoes­lag neemt toe naar­mate u de jaar­reken­ing lat­er neerlegt:

Legt u de jaar­reken­ing neer in de negende maand na de afs­luit­ing van het boek­jaar, dan bedraagt de bij­drage 400 euro;

Als de stukken neergelegd wor­den van de tiende tot de twaalfde maand, bedraagt de bij­drage al 600 euro;

Wor­den de stukken neergelegd vanaf de der­tiende maand na de afs­luit­ing van het boek­jaar, dan is de ven­nootschap een bij­drage ver­schuldigd van 1.200 euro bovenop de gewone openbaarmakingskosten.

Coro­na-tijd­perk

De regering maak­te in juli gebruik van haar bevoegdheid om — in geval van over­ma­cht — een vri­jstelling te ver­lenen van de tarieftoes­lag. De COVID-19 pan­demie wordt gezien als een alge­meen geval van over­ma­cht wat een algemene vri­jstelling billijkt.

Op 20 juli 2020 ver­scheen in het Bel­gisch Staats­blad een min­is­terieel besluit dat de tarieftoes­lag kwi­jtscheldt voor de negende en de tiende maand. De toes­lag is ver­schuldigd als de ven­nootschap haar stukken pas neer­legt vanaf de 11de maand na de afs­luit­ing van boek­jaar.
Twee maan­den slechts want de bevoegdheid van de min­is­ter strekt niet verder dan 2 maanden.

Deze vri­jstelling geldt enkel voor rechtsper­so­n­en waar­van de jaar­reken­ing werd afges­loten tussen 1 sep­tem­ber en 31 decem­ber 2019. Dat is niet onl­o­gisch. De nor­male ter­mi­jn van 7 maan­den viel immers in volle coronacrisis.

Bijvoor­beeld: ven­nootschap­pen die afs­loten op 1 sep­tem­ber 2019, moesten hun jaar­reken­ing neer­leggen, ten laat­ste op 1 april 2020. Doen zij dat pas op 1 mei, dan zijn er nog geen pot­ten gebro­ken. Dankz­ij deze vri­jstelling lopen zij ook daar­na nog geen bij­drage­toes­lag op tot 1 juli 2020.
Voor ven­nootschap­pen die hun boek­jaar afs­luiten op 31 decem­ber 2019 was de uiter­ste datum 31 juli 2020. Zij ontsnap­pen ook daar­na nog aan de toes­lag ten­min­ste als zij hun jaar­reken­ing neer­leggen vóór 1 novem­ber 2020.

Opgelet: het gaat om een vri­jstelling, niet om een uit­s­tel of ver­trag­ing… Sluit het boek­jaar op 31 decem­ber 2019 en legt de ven­nootschap pas op 2 novem­ber 2020 haar jaar­reken­ing neer, dan is er niet een toes­lag van 400 euro ver­schuldigd, maar meteen van 600 euro.