Kwijtschelding van huur ten gevolge van de COVID-19-pandemie - Boekhoudkundig

Terug naar het overzicht

04 maart 2021

Kwi­jtscheld­ing van huur ten gevolge van de COVID-19-pan­demie — Boekhoudkundig

De Com­missie voor Boekhoud­kundi­ge Nor­men (CBN) pub­liceerde onlangs een ontwer­pad­vies over de boekhoud­kundi­ge ver­w­erk­ing van een kwi­jtscheld­ing van han­delshu­ur. Vol­gens de CBN mag het “ver­lies” aan huurop­breng­sten in hoofde van de ver­hu­ur­der in één keer geboekt wor­den en moet het niet over de loop­ti­jd van de han­delshu­ur gespreid worden.

Kwi­jtscheld­ing ver­sus voordeel

U zou de kwi­jtscheld­ing van de huur kun­nen beschouwen als een voordeel van­wege de ver­hu­ur­der aan de huur­der. Over “voorde­len toegek­end aan de huur­der” had de CBN al eerder een advies ver­leend. Vol­gens dat advies (dat spec­i­fiek gaat over de toeken­ning van voorde­len toegek­end aan de huur­der bij het afs­luiten van een huurovereenkomst) moet de ver­hu­ur­der een dergelijk voordeel lin­eair gespreid in resul­taat opne­men als een ver­min­der­ing van de huuropbrengsten.

Stel u komt met een huur­der overeen dat er 3 maan­den geen huur ver­schuldigd is als hij/​zij de han­delshu­ur vernieuwt. In dat geval moet u als ver­hu­ur­der het bedrag van de kwi­jtscheld­ing sprei­den over de ganse duur­tijd van het con­tract. In principe moet u dat lin­eair sprei­den maar u mag een andere sprei­d­ing gebruiken als dat meer toepas­selijk is (bijvoor­beeld degressief omdat het belang van het voordeel verd­wi­jnt naar­mate het con­tract vordert).

Een zelfde redener­ing geldt aan de kant van de huur­der die de kost van de huur­der lin­eair moet ver­min­deren met het voordeel.

Kwi­jtscheld­ing onder coro­na is geen “voordeel”

Maar de CBN slaat in haar ontwer­pad­vies duidelijk een andere weg in. Ze meent ‑niet onterecht- dat de kwi­jtscheld­ing niet gelijkgeschakeld mag wor­den met een onder­han­delde com­mer­ciële kort­ing. De kwi­jtscheld­ing van huur in het kad­er van de coro­nacri­sis is vol­gens de CBN eerder een bit­tere noodza­ak vanu­it liq­uiditeitsper­spec­tief bij de huurder.

De CBN haalt daar­bij aan dat bijvoor­beeld kwi­jtscheld­ing gegeven wordt omdat het gehu­urde goed (onroerend of roerend) omwille van de lock­down niet gebruikt kan wor­den. Hier­bij moet opge­merkt wor­den dat, ten­z­ij er bij­zon­dere con­tractuele bepalin­gen bestaan, een dergelijke kwi­jtscheld­ing op zich niet afd­wing­baar is. Recht­spraak over deze kwest­ie wordt ‑op enkele uit­zon­derin­gen na- vee­lal uit­ge­spro­ken ten voordele van de verhuurder.

Anderz­i­jds is het voor de betrokken par­ti­jen vri­jwel steeds beter om ter zake afsprak­en te mak­en. Zow­el de Brus­selse als de Vlaamse regering onder­s­te­unen trouwens dergelijke overeenkom­sten met de zoge­naamde han­delshu­urlen­ing. Als de huur­der en de ver­hu­ur­der overeenkomen dat deze laat­ste één of meerdere maan­den huur kwi­jtscheldt, dan kan de huur­der van de over­heid een som geld lenen die overeenkomt met meerdere maan­den huur en die wordt direct aan de ver­hu­ur­der gestort. Op die manier heeft de ver­hu­ur­der zek­er­heid over de betal­ing van de huur ter­wi­jl de huur­der de huur van de betrokken maan­den kan sprei­den over een ter­mi­jn van 2 jaar.

Geen sprei­d­ing nodig

De Com­missie con­cludeert dat zow­el de ver­hu­ur­der als de huur­der, de kwi­jt­geschold­en huur niet moeten sprei­den in de tijd als respec­tievelijk een kost of een opbrengst. De kwi­jtscheld­ing is immers een over­ma­chtssi­t­u­atie als gevolg van de pan­demie.
Als de ver­hu­ur­der bijvoor­beeld 3 maan­den huur kwi­jtscheldt, dan moet de ver­hu­ur­der daar­door voor dat boek­jaar slechts een huur als opbrengst erken­nen voor 9 maan­den. De huur­der van zijn kant kan ook maar een kost erken­nen voor 9 maanden.

Leas­ing

In het ontwer­pad­vies gaat de Com­missie ook in op de boekhoudrechtelijke ver­w­erk­ing bij een oper­a­tionele leas­ing. Bij een oper­a­tionele leas­ing bli­jft het actief op de bal­ans staan van de ver­hu­ur­der.
De ter­mi­jn van de overeenkomst kan ver­lengd wor­den met de duur van de kwi­jtscheld­ing.
Ook hier moeten de ver­hu­ur­der en de huur­der de min­dere huur niet sprei­den als respec­tievelijk een kost of een opbrengst in de tijd.

Bij een finan­ciële leas­ing zal het actief op de bal­ans van de huur­der staan. In dat geval is er sowieso een ontkop­pel­ing van de schuld ten opzichte van het betrokken actief. Het actief wordt afgeschreven door de huur­der.
De niet-betal­ing van de huur zal vaak in principe enkel betrekking hebben op de hoofd­som. Eventueel moet er dan wel een aan­pass­ing gebeuren van de bedra­gen die geboekt moeten wor­den onder schulden op meer dan één jaar en schulden op ten hoog­ste één jaar.

Het ontwer­pad­vies is vooral goed nieuws voor de ver­hu­ur­ders die op deze manier geen winst moeten reg­istr­eren die niet echt bestaat. De CBN adviseert bijkomend om het voorzichtighei­ds­be­gin­sel in acht te nemen: als de vorder­ing (op de huur­der) onzek­er wordt, moet dit ook tot uit­ing komen in de boekhouding.