Kostenaftrek voor uitgewonnen borg

Terug naar het overzicht

12 januari 2021

Koste­naftrek voor uit­ge­won­nen borg

Als u zich borg stelt voor een ban­klen­ing aan uw ven­nootschap, dan kan u, als de bank bij u aan­klopt voor de betal­ing van de lening, deze kost aftrekken als beroep­skost. U moet wel inkom­sten behaald hebben uit de ven­nootschap. Het hof van beroep is over die voor­waarde redelijk soepel.

De feit­en

Mijn­heer A richt een man­age­mentven­nootschap BVBA X op. De dag erna richt hij een NV Y op. De BVBA X wordt benoemd als voorzit­ter van de raad van bestu­ur van Y en wordt daar­voor verte­gen­wo­ordigd door mijn­heer A. X is dan wel voorzit­ter, maar het man­daat zelf is onbe­zoldigd.
Er is wel een soort samen­werk­ingsovereenkomst waar­bij X bepaalde dien­sten lev­ert aan Y. Fysisch wor­den die dien­sten daar mijn­heer A gepresteerd. Y betaalt X daar een maan­delijkse ver­goed­ing voor. Y is de enige klant van de man­age­mentven­nootschap.
Mijn­heer A ont­vangt zelf enkel een bestu­ur­der­sver­goed­ing van X. De presta­ties van A als verte­gen­wo­ordi­ger voor X wor­den niet doorgerekend.

Zes maan­den na de opricht­ing gaat Y een lening bij de bank aan en A stelt zich, samen met zijn echtgenote B, borg voor ten belope van 75.000 euro. Helaas draait de zaak slecht uit en wordt A ook effec­tief uit­ge­won­nen door de bank.
A brengt de som van 75.000 euro in aftrek als beroep­skosten.
De fis­cus weigert de aftrek en rekent zelfs een boete van 10% wegens foutieve aangifte.

In eerste aan­leg wordt die boete wel weer kwi­jt­geschold­en maar de aftrek van de borg wordt geweigerd. De belast­ing­plichtige stapt naar het hof van beroep.

Borg voor de ven­nootschap achter de managementvennootschap

Beroep­skosten zijn maar aftrek­baar als ze wer­den aange­gaan om beroepsinkom­sten te ver­w­er­ven of te behouden. Dat is de basis­regel.
In deze zaak is het voor­naam­ste argu­ment om de aftrek te weigeren, het feit dat mijn­heer A nooit inkom­sten heeft ver­wor­ven van Y, de ven­nootschap die van de borg prof­i­teerde.
Bijkomend wijst de fis­cus er op dat de man­age­mentven­nootschap een onbe­zoldigd man­daat had in Y én dat de presta­ties die A leverde ook niet wer­den doorge­fac­tureerd aan Y. De bezoldig­ing die A ontv­ing van X kon dus vol­gens de fis­cus niet gelinkt wor­den aan de borgstelling.

Het hof ziet dat anders want het stelt vast dat er toch onrecht­streeks inkom­sten zijn. En dit heeft alles te mak­en met de samen­werk­ingsovereenkomst tussen X en Y.
De man­age­mentven­nootschap van A heeft enkel een con­tract met Y. Dat blijkt uit de BTW-aangiften. Die overeenkomst neu­traliseert als het ware het feit dat X een onbe­zoldigd man­daat heeft bij Y.
Het is pre­cies die samen­werk­ingsovereenkomst die er voor zorgt dat A uitein­delijk inkom­sten kan ver­w­er­ven uit zijn man­age­mentven­nootschap.
Het hof beves­tigt dus het beroep­skarak­ter van de borgstelling.

Mijn­heer en mevrouw

De fis­cus haalt dan nog een ander wapen boven: de borg­stelling door A én B komt eigen­lijk alleen A ten goede. B kreeg écht wel geen beroepsinkom­sten. Omdat A en B gehuwd waren onder het wet­telijk stelsel (gemeen­schap van beroepsinkom­sten) is de helft van de borg­stelling miss­chien wel beroeps­matig (het deel dat A moest dra­gen) maar het deel dat B moest dra­gen kan dat niet zijn.

Daarover is het hof vrij kort: A heeft vol­doende aange­toond dat hij het (volledi­ge) bedrag van de borg­stelling heeft gedra­gen met het oog op het ver­w­er­ven of behouden van belast­bare inkom­sten. De aftrek van het totale bedrag is toegestaan.

Man­age­mentven­nootschap­pen

Deze belast­ing­plichtige wordt gered door het hof van beroep maar het is niet gezegd dat elke recht­bank dezelfde redener­ing zal mak­en.
Het is vooral ver­rassend om vast te stellen dat het hof oordeelt dat er wel sprake is van een uit­gave om beroepsinkom­sten te behouden of te ver­w­er­ven ter­wi­jl de inkom­sten formeel gezien niet direct toekomen aan de belast­ing­plichtige. Het hof ziet vol­doende rede­nen om het for­mal­isme aan de kant te zetten, wellicht omdat de link tussen het inkomen en de uit­gaven, hoewel indi­rect, wel heel erg duidelijk was. Is die duidelijke link er niet, dan zal een andere recht­bank wellicht niet tot het zelfde posi­tieve besluit komen.