Indexering in fiscaliteit opgeschort

Terug naar het overzicht

25 januari 2021

Index­ering in fis­caliteit opgeschort

De coro­nacri­sis kost geld. Véél geld. En daarom gaat de regering op zoek naar meer inkom­sten. Eén van de maa­trege­len die al eerder werd gebruikt, is de indexstop in de per­so­n­en­be­last­ing. Een bij­na onvoel­bare belastingverhoging.

Oude wijn in nieuwe zakken

Voor de aanslag­jaren 2021 tot 2024 wordt de index­ering van een aan­tal fis­cale uit­gaven bevroren op het niveau van de geïn­dex­eerde bedra­gen die gelden voor aanslag­jaar 2020.
De regering Michel deed dit in 2014 al een keert­je voor, door de index­ering voor de aanslag­jaren 2015 tot 2018 voor een reeks fis­cale uit­gaven te onder­breken.
Opgelet: na die onder­brek­ing wordt de index­ering niet terug opgepikt waar ze onder­bro­ken was. Née, de bereken­ing kri­jgt in 2024 een nieuw start­punt (zoals dat ook al het geval was in 2018).

Net zoals bij de vorige onder­brek­ing is er sprake van een zekere “retroac­tiviteit”. De maa­tregel geldt al vanaf aanslag­jaar 2021. Dat betekent in de prak­tijk dat het betrekking heeft op de inkom­sten van 2020.
De geïn­dex­eerde bedra­gen die van toepass­ing zijn in 2020 wer­den al in jan­u­ari 2020 gepub­liceerd in het Staats­blad. Dat bericht wordt dus deels geannuleerd.

Welke uit­gaven?

De index­ering geldt niet voor alle bedra­gen uit de per­so­n­en­be­last­ing. Het belast­ingvrij min­i­mum en de ver­hogin­gen wegens kinder­last bijvoor­beeld vallen er niet onder en wor­den dus gewoon verder geïndexeerd.

Wat valt er wel onder?

de vri­jgestelde eerste schi­jf van inkom­sten uit spaarde­pos­i­to’s, van div­i­den­den, van intresten met soci­aal oog­merk en het bedrag van de lenin­gen via een crowd­fund­ing­plat­form waar­van de inter­esten zijn vri­jgesteld (zou 990 euro wor­den, bli­jft 980 euro);

de fis­cale korf voor de belast­ingver­min­der­ing voor het lange ter­mi­jns­paren (vanaf aanslag­jaar 2021) en van de eerste schi­jf van de lenin­gen (lenin­gen aange­gaan vanaf 1 jan­u­ari 2020);

de belast­ingver­min­derin­gen voor de ver­w­erv­ing van werkgeversaandelen;

de belast­ingver­min­der­ing voor uit­gaven voor de ver­w­erv­ing van een elek­trisch voer­tu­ig (zou 3.180 euro wor­den, bli­jft 3.140 euro);

de belast­ingver­min­der­ing voor uit­gaven voor een ontwik­kel­ings­fonds (zou 400 euro wor­den, bli­jft 390 euro);

de belast­ingver­min­der­ing voor giften (bli­jft 40 euro);

de belast­ingver­min­der­ing voor huispersoneel;

de belast­ingver­min­der­ing voor uit­gaven in het kad­er van een adoptieprocedure;

de belast­ingver­min­der­ing voor pre­mies voor een rechts­bi­j­s­tandsverzek­er­ing (was en bli­jft 310 euro);

de belast­ingver­min­der­ing voor lage energiewonin­gen, passief­wonin­gen en nulen­ergiewonin­gen; en

de in aan­merk­ing te nemen uit­gaven voor de in een fed­erale belast­ingver­min­der­ing omgezette aftrek voor enige woning.

De index­ering van de bedra­gen inza­ke de belast­ingver­min­derin­gen voor pen­sioe­nen en ver­vang­ingsinkom­sten wordt voortgezet.

Pen­sioens­paren

De onder­brek­ing van de index­ering van de max­i­mumbedra­gen voor pen­sioens­paren wordt uit­gesteld tot aanslag­jaar 2022. De reden is dat in het begin van 2020 al werd meegedeeld dat het max­i­mum van het pen­sioens­paren 990 euro (30%) of 1.270 euro (25%) bedraagt. Wie in 2020 al 990 euro heeft ges­paard zou nog slechts recht hebben op een belast­ingver­min­der­ing van 25% in plaats van 30% en pen­sioenspaarders die in 2020 al meer dan 1.260 euro hebben ges­paard, zouden een beperkt bedrag (10 euro) moeten over­dra­gen. Dat wordt met dit uit­s­tel ver­me­den.
Ook de vol­gende aanslag­jaren zal het max­i­mum dus 990 euro bedragen.