Handelshuur – herziening

Terug naar het overzicht

26 oktober 2021

Han­delshu­ur – herziening

De han­delshu­ur­wet laat zow­el de ver­hu­ur­der, als de huur­der toe om een herzien­ing van de huur­pri­js te vra­gen wan­neer de omstandighe­den dat recht­vaardi­gen. Voor het vre­degerecht van Antwer­pen werd een casus bespro­ken die de gren­zen van dat recht mooi in beeld brengt.

Artikel 6 Handelshuurwet

Het recht om een herzien­ing van de huur­pri­js te vra­gen, werd opgenomen in artikel 6 van de han­delshu­ur­wet. Dat artikel luidt als volgt: 
“Bij het ver­strijken van elke drie­jarige peri­ode hebben par­ti­jen het recht aan de vred­erechter herzien­ing van de huur­pri­js te vra­gen, mits zij bewi­jzen dat de nor­male huur­waarde van het gehu­urde goed ten gevolge van nieuwe omstandighe­den ten min­ste 15 t.h. hoger of lager is dan de huur­pri­js die in de huurovereenkomst is bepaald of bij de laat­ste herzien­ing is vast­gesteld.
De rechter doet uit­spraak naar bil­lijkheid, zon­der te let­ten op het gun­stig of ongun­stig ren­de­ment dat uit­slui­tend aan de huur­der is toe te schri­jven.
De vorder­ing kan slechts wor­den ingesteld gedurende de laat­ste drie maan­den van de lopende drie­jarige peri­ode. De herziene huur­pri­js zal gelden te reke­nen van de eerste dag van de vol­gende drie­jarige peri­ode, maar de vroegere huur­pri­js kan voor­lop­ig wor­den gevorderd tot op de dag der eindbeslissing.”

De belan­grijk­ste ele­menten zijn hier:

Bei­de par­ti­jen kun­nen een herzien­ing vragen.

Er moeten nieuwe omstandighe­den zijn.

De nor­male huur­waarde na de nieuwe ontwik­kelin­gen is 15% hoger of lager dan de afge­spro­ken huurprijs.

Een herzien­ing kan om de 3 jaar gevraagd worden.

De feit­en op de Groen­plaats te Antwerpen

X (eige­naar) en Y (huur­der) hebben een han­delshu­urovereenkomst. Op een bepaald ogen­blik komen zij overeen om een ren­o­vatie aan het gebouw uit te voeren en spreken ze af hoeveel ze daar elk zullen in bij­dra­gen. Na de ren­o­vatiew­erken (in 2015) sluiten ze een nieuwe han­delshu­urovereenkomst voor 27 jaar, met ingang op 1 decem­ber 2015. De maan­delijkse huur­pri­js bedraagt 4.000 euro.

Tegen de derde ver­jaardag van het con­tract vraagt X een herzien­ing van de huur­pri­js, zoals voorzien is in artikel 6 van de han­delshu­ur­wet. X meent dat de maan­delijkse huur­pri­js voor­taan 8.500 euro zou moeten bedra­gen. X vraagt dus aan de rechter om dat bedrag als nieuwe huur­pri­js op te leggen, of om toch ten­min­ste een expert aan te stellen.

X haalt aan dat er nieuwe omstandighe­den zijn:

de her­aan­leg van de Groen­plaats werd goedgekeurd in decem­ber 2016;

de her­aan­leg van de Scheldekaaien startte in augus­tus 2017;

de Leien en het Oper­aplein enz. zouden in decem­ber 2018 afgew­erkt zijn;

in Antwer­pen werd vanaf 1 feb­ru­ari 2017 een lage-emissiezone ingevoerd.

Maar wat denkt de rechter daarvan?

Dwin­gend recht

Een eerste punt dat de rechter ver­duidelijkt is dat artikel 6 van de han­delshu­ur­wet van dwin­gend recht is. Dat betekent dat de par­ti­jen niet kun­nen overeenkomen om daar­van af te wijken. De advo­caat van Y argu­menteerde immers dat het con­tract zelf al voorschreef dat er een nieuwe huur­pri­js kon wor­den afge­spro­ken na 15 jaar en dat artikel 6 daar­door niet meer zou spe­len. Maar dat argu­ment wordt door de rechter dus van tafel geveegd.

Basis voor de berekening

Een tweede punt betre­ft de bereken­ing van de 15%, en meer bepaald de ref­er­en­tiewaarde (met andere woor­den de basis waarop je die 15% berekent).

De rechter ver­duidelijkt dat de ref­er­en­tiewaarde waarmee de huidi­ge huur­waarde vergeleken moet wor­den, niet de overeengekomen huur­pri­js bij de aan­vang van de huur is, maar wel de nor­male huur­waarde bij de aan­vang van de huur.

In principe mag men er wel van uit­gaan dat de overeengekomen huur­pri­js gelijk is aan de nor­male huur­waarde. Maar in dit geval betwist de huur­der dat. Y beweert namelijk dat hij in 2014 zware investerin­gen heeft gedaan, waar­door het pand een meer­waarde heeft gekre­gen. En in ruil daar­voor werd er een huurovereenkomst ges­loten voor 27 jaar, aan een huur­pri­js van 4.000 euro per maand.
X ontkent dit ten stelligste.

De rechter stelt in eerste instantie dat X (de ver­hu­ur­der) moet aan­to­nen dat de nor­male huur­waarde op het ogen­blik van het sluiten van de huurovereenkomst in 2015 gelijk was aan de bedongen huur­pri­js. X is hier immers de eisende par­tij en hij beweert dat de huur­waarde meer dan 15% is toegenomen. Daarom moet X ook aan­to­nen wat de ref­er­en­tiewaarde was. Uit de cor­re­spon­den­tie kan de rechter niet duidelijk aflei­den dat er een afspraak zou bestaan dat Y min­der huur zou moeten betal­en omdat er ren­o­vatiew­erken zouden zijn geweest. X slaagt er echter niet in om aan te tonen wat de ref­er­en­tiewaarde zou zijn en daarom is er niet voldaan aan de eerste voor­waarde (sti­jging van 15%).

Nieuwe omstandighe­den

De rechter gaat echter nog verder. X had beweerd dat het pand een veel hogere huur­pri­js moest oplev­eren omdat door aller­lei werkza­amhe­den de lig­ging ervan sterk zou ver­beteren. Zijn die werkza­amhe­den, nieuwe omstandighe­den ? Nieuwe omstandighe­den zijn, aldus de rechter “objec­tieve omstandighe­den ( ) die de huur­waarde van een han­delspand duurza­am beïn­vloe­den, maar die niet voorhan­den waren bij het bepalen van de huur­pri­js en zich sedert­di­en hebben voorgedaan, zodat er geen reken­ing mee kon wor­den gehouden bij het bepalen van de huur­pri­js”.
Nieuwe omstandighe­den moeten ‘niet onvoorzien­baar zijn’, maar ze moeten wel een duurza­am karak­ter hebben. Dit betekent dat zij voor min­stens drie jaar een ver­moedelijke invloed zullen hebben op de huur­waarde van het goed.

Boven­di­en stelt de rechter dat “om als nieuwe omstandigheid te gelden, ( ) de omstandigheid op het ogen­blik van de aan­vraag tot herzien­ing van de huur­pri­js gere­aliseerd [moet] zijn. Men kan een omstandigheid niet als nieuw ( ) bestem­pe­len als ze zich nog niet gere­aliseerd heeft.” Daar­door zijn al de ‘omstandighe­den’ die X aan­haalt (de gep­lande her­aan­leg van de Groen­plaats, de nog niet afgew­erk­te nieuwe Leien, ) hele­maal nog geen nieuwe omstandighe­den. Ze zijn nog niet afgew­erkt! En over de lage emissiezone zegt de rechter dat niet vol­doende is aange­toond dat de invo­er­ing ervan een dergelijke grote impact zou hebben dat zij een sti­jging van de huur­pri­js verantwoordt.

De eis van de eige­naar werd in dit geval dus volledig afgewezen en omdat boven­di­en niet kon wor­den aange­toond wat de ref­er­en­tiewaarde was van de huur, is de kans klein dat hij in de toekomst – zelfs als de Groen­plaats ooit her­aan­gelegd ger­aakt – een hogere huur­pri­js kan vragen.