Ex-zaakvoerder beschuldigd van schijnwerknemerschap

Terug naar het overzicht

20 oktober 2022

Ex-zaakvo­erder beschuldigd van schijnwerknemerschap

Bij schi­jnzelf­s­tandigheid proberen par­ti­jen de werkne­mer onder het zelf­s­tandi­gen­statu­ut te schuiv­en zodat de RSZ-bij­dra­gen lager uit­vallen. Bij schi­jn­werkne­mer­schap wordt de activiteit van een zelf­s­tandi­ge voorgesteld als een arbei­d­sre­latie, om op die manier hogere uitk­erin­gen te genieten.

Zoon is zaakvo­erder, vad­er is bediende

In 2000 richt­en de heer Y en zijn echtgenote Z een BV op, waarin ze bei­den als zaakvo­erders optre­den. In 2016 beslist een bij­zon­dere algemene ver­gader­ing van de BV het kop­pel te ontslaan als zaakvo­erders, per 30 sep­tem­ber 2016, en hun zoon L aan te stellen als nieuwe zaakvo­erder, met ingang van 1 okto­ber 2016.
Op 27 sep­tem­ber 2016 sluit de BV, verte­gen­wo­ordigd door Y en L een schriftelijke arbei­dsovereenkomst voor onbepaalde duur af met Y, waar­bij deze laat­ste op 1 okto­ber 2016 als bedi­ende in dienst treedt van de BV.

De RSZ stru­ikelt over deze gang van zak­en en stelt een onder­zoek in.
Begin 2018 lat­en de RSZ aan Y weten dat hij ten onrechte onder­wor­pen werd aan het stelsel der sociale zek­er­heid voor werkne­mers in toepass­ing van artikel 1 van de wet van 27 juni 1969. Moti­vatie: Twee van de con­sti­tu­tieve ele­menten van een arbei­dsovereenkomst, met name loon en gezag, ont­brak­en immers.

Aan de BV wordt gevraagd om Y niet langer te ver­melden als werkne­mer en Y wordt in de aangiften van de voor­gaande kwartal­en ambt­shalve geschrapt.

Cor­rec­tionele vrijspraak

De zaak komt voor een cor­rec­tionele recht­bank wegens bedrieglijke onder­w­er­p­ing aan het sociale zek­er­hei­dss­telsel der werkne­mers, wat straf­baar gesteld wordt door artikel 221, 1° van het Soci­aal Strafwet­boek. Maar op 5 mei wor­den de BV en Y vri­jge­spro­ken door de recht­bank van eerste aan­leg van Lim­burg. Tegen die besliss­ing wordt geen beroep aangetekend.

De zaak wordt echter ook voorgelegd aan de arbei­d­srecht­bank, in het kad­er van een burg­er­rechtelijke vorder­ing. Die recht­bank beves­tigt het stand­punt van de RSZ.
De BV gaat tegen die besliss­ing in beroep.

Het aanspan­nen van twee recht­sza­k­en tegelijk is niet onge­bruike­lijk. Voor de cor­rec­tionele recht­bank wordt het strafrechtelijke aspect bekeken, voor de arbei­d­srecht­bank wordt gekeken naar de geldigheid van de arbei­dsovereenkomst. Voor een strafrechter is het bedrieglijke opzet van belang, voor de arbei­d­srecht­bank is dat niet rel­e­vant. Boven­di­en was de RSZ (als instantie die de bij­dra­gen int) geen par­tij in de strafza­ak.
Het feit dat de zaak dus al behan­deld was door een strafrechter, belet niet dat dezelfde feit­en ook nog eens behan­deld wor­den door de arbeidsrechtbank.

Arbei­d­sre­latiewet – de principes

Om te weten of Y aan de sociale zek­er­heid voor werkne­mers mocht onder­wor­pen wor­den, moet er gekeken wor­den naar de relatie tussen werkgev­er en werkne­mer. Er is sprake van een werkne­mer­sre­latie als een per­soon er zich in een arbei­dsovereenkomst toe verbindt tegen betal­ing van loon onder het gezag van de werkgev­er, arbeid te verrichten.

In zijn schrap­pings­besluit stelt de RSZ nu pre­cies dat de ele­menten « gezag » en « loon », niet aan­wezig waren in de werkre­latie tussen Y en de BV.

De Arbei­d­sre­latiewet laat de par­ti­jen in principe de vri­je keuze bij de kwal­i­fi­catie van hun arbei­d­sre­latie. Zij kun­nen dus kiezen of er samengew­erkt wordt in het kad­er van een arbei­dsovereenkomst, dan wel in het kad­er van een zelf­s­tandi­ge samen­werk­ing.
Maar de Arbei­d­sre­latiewet laat ook toe om de arbei­d­sre­latie te herk­wal­i­fi­ceren als er vol­doende ele­menten onv­erenig­baar zijn met de gekozen kwal­i­fi­catie.
Het bewi­js moet geleverd wor­den door diegene die de gekozen kwal­i­fi­catie ver­w­erpt, in casu dus door de RSZ.

Arbei­dsovereenkomst

De BV en Y had­den een schriftelijke arbei­dsovereenkomst ges­loten, wat hen vol­doende leek om te spreken van een werkne­mer­sre­latie. Maar het Hof merkt op dat die overeenkomst ook door L werd getek­end optre­dend als gevol­machtigde van de werkgev­er. Maar dat kon hele­maal niet omdat L op dat moment (27 sep­tem­ber 2016) nog geen zaakvo­erder was van de BV en hij dus ook niet bevoegd was.
Het feit dat de arbei­dsovereenkomst pas in ging op 1 okto­ber 2016, heeft geen impact: het Hof stelt vast dat de schriftelijke arbei­dsovereenkomst geen rechts­geldig schriftelijk bewi­js is.

Geen nood: een mon­delinge arbei­dsovereenkomst is ook rechts­geldig Alleen komt de bewi­js­last dan wel bij de BV en Y te liggen.
En vol­gens het Hof sla­gen zij daar niet in.
Het feit dat de BV als verzek­er­ingsplichtige werkgev­er, de RSZ-aangifte indi­ende, de bij­dra­gen betaalde en ook de loon­brieven opstelde is voor het Hof geen afdoend bewi­js. Die han­delin­gen zijn slechts een loutere veruitwendig­ing en gevolg van een beweerd en aangenomen statu­ut, maar bewi­jzen nog niet dat er sprake is van het presteren van arbeid onder gezag en tegen betal­ing van loon.

Sociale bescherming

Het is alge­meen geweten dat de sociale bescherming van een werkne­mer veel grot­er is dan van een zelf­s­tandi­ge. Het lijkt er dan ook op dat het hof en de RSZ begrepen hebben dat de kwal­i­fi­catie van Y als werkne­mer vooral daarop was gericht. 

Het hof en de RSZ lijken vooral te stru­ike­len over enkele verk­larin­gen van Y zelf. Hij verk­laarde immers dat hij, na 23 jaar als zelf­s­tandi­ge, begon te sukke­len met zijn gezond­heid. Hij had de zaak nog verder kun­nen zetten als zelf­s­tandi­ge, zo verk­laart hij, maar de boekhoud­er raadde hem aan het statu­ut van werkne­mer aan te nemen. Ook L verk­laarde dat de boekhoud­er hen dit gead­viseerd had.
Het Hof merkt op dat Y, niet­te­gen­staande gezond­hei­d­sprob­le­men, toch aange­wor­ven wordt, wat alvast wijst op een zekere planning. 

Kort na zijn aan­werv­ing wordt Y arbei­d­songeschikt, en ont­vangt hij een gewaar­borgd loon en ziek­te-uitk­erin­gen. Maar het wordt nog mooier: het staat vast dat Y tij­dens zijn ziek­te­pe­ri­ode door­w­erk­te. Weliswaar kreeg hij vanaf mid­den novem­ber 2017 de toestem­ming van de advis­erend arts om 13u/​week te werken voor de BV, maar hij presteerde al veel eerder tij­dens zijn ziek­te­pe­ri­ode arbei­d­spresta­ties voor die BV, zon­der over zo’n toestem­ming te beschikken.
Het hof meent dat dergelijk gedrag eerder atyp­isch is voor een werknemer.

Vri­jheid in de organ­isatie van het werk

Het hof stelt ook vast dat Y op geen enkele manier beperkt werd in zijn vri­jheid om zijn werk te organ­is­eren. Y bleef dezelfde tak­en uitvo­eren als toe hij zaakvo­erder was van de BV. 

Boven­di­en beschik­te hij als werkne­mer (nog steeds) over een onbeperk­te vol­macht op de bankrekenin­gen en ver­richtte hij ook nog alti­jd diverse werkgev­er­stak­en: o.m. het onderteke­nen van zijn eigen presta­ti­es­tat­en en die van zijn dochter, hij bleef de con­tact­per­soon van het soci­aal sec­re­tari­aat, enz. Uit niets blijkt dat er voor Y beperkin­gen goldan wat het organ­is­eren van zijn werk­ti­jd betre­ft. Hij moest even­min rap­porteren aan zaakvo­erder-zoon L.

Gezag

De mogelijkheid van hiërar­chis­che con­t­role omvat de bevoegdheid van de werkgev­er om de werkne­mer te lei­den, te instrueren en toezicht uit te oefe­nen op zijn werk. Het vol­staat dat de werkgev­er in staat is om arbei­dsvoor­waar­den op te leggen en te bepalen welke tak­en de werkne­mer moet uitvo­eren, en hoe, waar en wan­neer hij dat moet doen.

Ook dat lijkt in deze casus niet het geval te zijn. Eerder omge­keerd, omdat het er vol­gens de klanten eerder op leek dat Y zijn zoon L aan het oplei­den was. Op de web­site bleef Y ver­meld als zijnde de eerste con­tact­per­soon en zaakvo­erder van de BV. Boven­di­en beves­tig­den som­mige klanten dat enkel hij instond voor de bestellin­gen en lev­erin­gen. Som­mige klanten kenden trouwens alleen Y en niet de zaakvo­erder L. Niet ver­won­der­lijk zo stelt het Hof de zoon was op dat ogen­blijk ook nog assis­tent-man­ag­er in een andere onderne­m­ing en hij was dus niet volti­jds bezig met het zaakvo­erder­schap van de BV.

De verzek­er­ing van de bestel­wa­gen van de BV stond op naam van Y en het onder­houd­sat­test van de ver­warm­ings­ke­tel werd ondertek­end door Y.

De bew­er­ing dat Y zijn aan­de­len aan L had overge­dra­gen, kon niet hard gemaakt wor­den en de maatschap­pelijke zetel van de BV bleef al die tijd geves­tigd op het adres van Y en zijn echtgenote.

Reken­ing houdende met al deze ele­menten kan het Hof niet veel anders dan tot de slot­som komen dat Y zich hier schuldig maak­te aan schijnwerknemerschap.