De wederopbouwreserve: fiscaal speerpunt voor het post-coronatijdperk

Terug naar het overzicht

01 december 2020

De wederop­bouwre­serve: fis­caal speer­punt voor het post-coronatijdperk

Het par­lement keurde mid­den novem­ber een maa­tregel goed die ven­nootschap­pen moet toe­lat­en om na de coro­nacri­sis, de finan­ciële reserves weer op te bouwen. Houdt u uw win­sten in de ven­nootschap, dan bespaart u snel maar tijdelijk, heel wat belastingen.

Cash­posi­tie ver­sus lange termijn

De coro­na­maa­trege­len die de regerin­gen van ons land nemen kun je opde­len in twee types. Het eerste type maa­trege­len is bestemd om de cash­posi­tie van de onderne­min­gen in de lock­down peri­ode te bescher­men. Bijvoor­beeld: uit­s­tel van betal­ing voor aller­lei belastin­gen en sociale zek­er­hei­ds­bi­j­dra­gen. Ook de achter­waartse ver­liesver­reken­ing (loss car­ry back) is zo’n maa­tregel omdat hij toe­laat om de betal­ing van belast­ing over 2019 uit te stellen tot 2021.
De nieuwe regering begint nu ook werk te mak­en van het tweede type maa­trege­len: de wederop­bouw na de coro­nacri­sis. Het gaat om een reeks maa­trege­len die onderne­min­gen helpt om zo snel mogelijk weer over te gaan naar ​‘busi­ness as usu­al’. En zoals zo vaak is fis­caliteit het mid­del bij uit­stek om dit te realiseren.

Lange ter­mi­jn

Het grote ver­schil tussen bei­de types maa­trege­len is natu­urlijk het tijd­perk waarop ze betrekking hebben. De cash­posi­tie is een acu­ut en actueel prob­leem die maa­trege­len vereisen die onmid­del­lijk uitwerk­ing hebben … maar ook niet langer dan nodig. Ze hebben dus meestal slechts een korte duur­tijd. Wederop­bouw doe je op lan­gere ter­mi­jn. Een typ­isch gevolg is dat dit laat­ste type maa­trege­len pas de vol­gende jaren op snel­heid komen.

De wederop­bouwre­serve

De wederop­bouwre­serve is dus een maa­tregel van het tweede type. Het doel ervan is de solv­abiliteit­sposi­tie van ven­nootschap­pen te her­stellen. En het par­lement wil dat doen door voor drie belast­bare tijd­perken een “wederop­bouwre­serve” toe te lat­en op het einde van het boek­jaar met betrekking tot de aanslag­jaren 2022, 2023 of 2024.

Hoe gaat dat dan in zijn werk? Ven­nootschap­pen wor­den, via de fis­caliteit, ertoe aangezet om hun win­sten, vanaf aanslag­jaar 2022, niet uit te keren maar in de eigen onderne­m­ing te houden om op die manier het eigen ver­mo­gen te her­stellen of te verbeteren.

Uit­sluitin­gen

Er zijn uit­er­aard enkele voor­waar­den en uitsluitingen:

de wederop­bouwre­serve is onder­wor­pen aan de onaan­tast­baarhei­dsvoor­waarde. Dit houdt in dat de gere­serveerde winst op geen enkele manier mag uit­ge­keerd wor­den want dan wordt hij belastbaar;

ven­nootschap­pen, die sinds 12 maart 2020 een kap­i­taalver­min­der­ing of een inkoop van eigen aan­de­len uitvo­er­den of div­i­den­den uit­keer­den, hebben geen recht op een wederopbouwreserve;

ven­nootschap­pen die ban­den hebben met belast­ing­paradi­jzen wor­den uit­ges­loten. Het gaat om ven­nootschap­pen die betalin­gen doen aan ver­bon­den ven­nootschap­pen geves­tigd in een belastingparadijs;

beleg­gingsven­nootschap­pen, gere­gle­menteerde vast­goed­ven­nootschap­pen en nog enkele andere bij­zon­dere ven­nootschapsvor­men zijn uitgesloten.

Beperkin­gen

De aan­leg van de wederop­bouwre­serve is niet onbeperkt.

De aan­leg van de wederop­bouwre­serve wordt (elk aanslag­jaar opnieuw) beperkt tot de belast­bare gere­serveerde winst van het belast­baar tijd­perk vast­gesteld vóór de samen­stelling van de vri­jgestelde reserve. Het max­i­mum dat voor een bepaald boek­jaar kan wor­den vri­jgesteld, is gelijk aan het bedrag van de aan­groei van de reserves, na aan­pass­ing in meer en min van de begin­toe­s­tand van de reserves en vóór de aan­leg van de wederopbouwreserve.

De tweede en ongetwi­jfeld belan­grijk­ste beperk­ing: het max­i­mumbedrag van de wederop­bouwre­serve is beperkt tot het (boekhoud­kundig) ver­lies van het boek­jaar dat afs­luit in 2020 (ven­nootschap­pen die hun boek­jaar afs­luiten tussen 1 jan­u­ari en 30 juni 2020 mogen opteren voor boek­jaar 2021). Stel dat de ven­nootschap afs­luit met een ver­lies van 100, dan mag de ven­nootschap een reserve aan­leggen die in totaal (!) niet meer bedraagt dan die 100… dus niet elk jaar opnieuw 100.

Ten slotte is er de derde beperk­ing: de wederop­bouwre­serve kan in geen geval meer bedra­gen dan 20 miljoen euro.

Dit zijn de beperkin­gen… u bent niet ver­plicht om de wederop­bouwre­serve aan te leggen als u dat niet wenst, of de reserve tot het volledi­ge bedrag uit te put­ten. Als u aftrek­bare giften heeft, of vri­jgestelde inkom­sten, kan het zijn dat u beter die aftrekken en vri­jstellin­gen benut, vóór u de resterende fis­cale winst vri­jstelt via deze wederop­bouwre­serve. U heeft ten slotte ook drie jaar om het max­i­mumbedrag van de reserve te bereiken.

Terug­name

De opge­bouwde reserve wordt vroeg of laat weer belast­baar.
Dat is met name het geval als de ven­nootschap een inkoop van eigen aan­de­len ver­richt (ten belope van de waarde van de inkoop), div­i­den­den uit­keert (ten belope van het bedrag van het div­i­dend) of een kap­i­taalver­min­der­ing doet (ten belope van het bedrag van de kapitaalvermindering).

De belast­ingvri­jstelling is verder ook gekop­peld aan een tew­erk­stellingsvoor­waarde. De tew­erk­stelling wordt “geme­ten”, niet door het aan­tal hoof­den te tellen, maar door te kijken naar de loon­last. Het vertrekpunt is het bedrag op de boekhoud­kundi­ge post “620 Bezoldigin­gen en recht­streekse sociale voorde­len” in 2019. Als een wederop­bouwre­serve wordt aan­gelegd, dan moet telkens gekeken wor­den of het bedrag van de bezoldigin­gen in het jaar van de aan­leg van de reserve niet lager is dan 85% van de sit­u­atie in 2019.

Een voor­beeld

Stel: het bedrag van de post “620 Bezoldigin­gen en recht­streekse sociale voorde­len” in 2019 is 100.000 euro. Het vertrekpunt of drem­pel voor de tew­erk­stellingsvoor­waarde is dus 85.000 euro. In boek­jaar 2021 legt de ven­nootschap een belast­ingvri­je reserve aan van 200.000 euro. De post 620 bedraagt nog steeds 100.000 euro.

Voor het boek­jaar 2022 daalt het bedrag tot 80.000 euro (wat dus lager is dan 85% van de stand in 2019). Hier­door zal de wederop­bouwre­serve aan­gelegd in 2021 terug belast­baar wor­den ten belope van 5.000 euro, namelijk het ver­schil tussen de post 620 in 2022 (80.000 euro) en het vertrekpunt (85.000 euro).

Stel dat in boek­jaar 2023 de loon­last op post 620 (en dus de tew­erk­stelling) nog verder daalt naar 70.000 euro, dan wordt nog eens 10.000 euro belast­baar (vertrekpunt (85.000) min huidi­ge sit­u­atie (70.000 euro) waar­van er al 5.000 euro belast werd).

De belast­baarheid kan niet “verder” kan gaan dan het bedrag van de wederop­bouwre­serve: als de dal­ing van de loon­last grot­er is dan het bedrag van de wederop­bouwre­serve, dan zal die wederop­bouwre­serve volledig belast­baar wor­den, maar ook niet meer dan dat.

De gere­serveerde win­sten wor­den belast­baar als u begint uit te keren. Uitein­delijk zal bij de ver­ef­fen­ing van de ven­nootschap, de belast­ing die toen niet werd geheven, toch nog ver­schuldigd zijn.

De wederop­bouwre­serve biedt zek­er mogelijkhe­den voor bepaalde ven­nootschap­pen maar de voor­waar­den zijn erg streng en wellicht houden niet alle aan­deel­houd­ers dit lang vol. Ven­nootschap­pen die het hoofd boven water kon­den houden in 2020 (en geen ver­lies leden), kun­nen geen vri­jgestelde wederop­bouwre­serve aanleggen.