De jobstudent in coronatijden

Terug naar het overzicht

01 juli 2020

De job­stu­dent in coronatijden

Job­stu­den­ten com­bineren hun studie met tew­erk­stelling. Bin­nen bepaalde gren­zen kan dat tegen bij­zon­dere voor­waar­den, zow­el op het vlak van de sociale zek­er­heid als op het vlak van de belastin­gen. Job­stu­den­ten tij­dens de coro­nacri­sis geni­eten van extra versoepelingen.

Ver­soe­pel­ing op het vlak van sociale zekerheid

De regeling voor job­stu­den­ten is vooral een ver­soe­pel­ing op het vlak van sociale zek­er­heid. Met die ver­soe­pel­ing wil men vooral ver­mi­j­den dat de job­stu­dent in het zwart werkt. Door de gun­stige voor­waar­den inza­ke sociale zek­er­heid (en ook fis­caal) is het sop de kool niet waard: de stu­dent heeft amper enig voordeel door in het zwart te werken. Inte­gen­deel: door de arbeid aan te geven kan hij geni­eten van arbei­d­srechtelijke bescherming wat veel moeil­ijk­er ligt bij zwartwerk. Ook de werkgev­er heeft meer voorde­len dan nade­len bij de cor­recte reg­is­tratie van de arbeidsovereenkomst.

Om te kun­nen geni­eten van de bij­zon­dere regeling voor stu­den­te­nar­beid gelden enkele voorwaarden.

In eerste instantie moet de stu­dent oud genoeg zijn. In principe is dat vanaf 16 jaar, uit­zon­der­lijk kan het ook vanaf 15.

De werkne­mer moet stu­dent zijn. In principe volti­jds. Maar ook deelti­jdse stu­den­ten kun­nen een stu­den­ten­job doen maar dan mogen zij geen wach­tu­itk­erin­gen ont­van­gen, niet werken tij­dens de nor­male uren van school en niet werken bij de onderne­m­ing waar ze hun prak­tijk­lessen krijgen.

De arbei­dsovereenkomst is beperkt tot 12 maan­den en de arbeid mag niet plaatsvin­den tij­dens de lesuren.

De voor­naam­ste beperk­ing of voor­waarde is wel dat het totaal aan­tal uren dat een per­soon een stu­den­ten­job mag uitoe­fe­nen niet meer mag bedra­gen dan 475 uur. Elke stu­dent kri­jgt als het ware een pakket van 475 uren (het con­tin­gent) per kalen­der­jaar. En op dat pakket van 475 uren betaal je min­der sociale bij­dra­gen dan een gewone werkne­mer. De stu­dent kan zelf raad­ple­gen hoeveel uren hij/​zij nog heeft via de toepass­ing Student@work. Meer dan 475 uur werken mag, maar vanaf het 476ste gew­erk­te uur wor­den de sociale bij­dra­gen hoger (zow­el voor werkne­mer als voor werkgever).

Zijn alle voor­waar­den voldaan dan zijn er geen gewone sociale zek­er­hei­ds­bi­j­dra­gen ver­schuldigd op het loon. Er is wel een sol­i­dariteits­bi­j­drage ver­schuldigd. Voor de werkne­mer bedraagt die 2,71% van het bru­toloon en voor de werkgev­er is de bij­drage gelijk aan 5,42% van het brutoloon.

Opgelet: op het vlak van kinder­bi­js­lag gelden gren­zen inza­ke net­to-bestaans­mid­de­len. Die materie is ver­schil­lend per gemeen­schap. Over het alge­meen is stu­den­te­nar­beid die bin­nen de gren­zen van het boven­staande valt, geen bezwaar om verder kinder­bi­js­lag te ontvangen.

Fis­cale aspecten die u voor ogen moet houden

Er zijn 3 fis­cale aspecten waarmee u reken­ing moet houden: de bedri­jfsvoorheff­ing, de per­so­n­en­be­last­ing van de stu­dent en de per­so­n­en­be­last­ing van de ouders.

Wat betre­ft bedri­jfsvoorheff­ing is het vrij een­voudig. Als de overeenkomst voor sociale zek­er­heid kwal­i­ficeert als stu­den­te­nar­beid (zie hier­boven), dan is het loon niet onder­wor­pen aan bedri­jfsvoorheff­ing en ont­vangt de stu­dent zijn loon dus bru­to.
Het is dus ook hier van belang dat de stu­dent niet meer dan 475 uren werkt in dat kalen­der­jaar.
Zou de werkgev­er toch bedri­jfsvoorheff­ing inhouden, dan kan die enkel door de stu­dent teruggevraagd wor­den via zijn/​haar aangifte personenbelasting.

Wat betre­ft de per­so­n­en­be­last­ing van de stu­dent: de stu­dent geni­et niet van een bij­zon­der belast­ing­s­telsel. Maar dat betekent dus ook dat als de stu­dent min­der inkomen heeft dan het belast­ingvrij min­i­mum, hij/​zij geen inkom­sten­be­last­ing ver­schuldigd is.
Voor het aanslag­jaar 2020 (inkom­sten 2019) bedraagt die belast­ingvri­je som 8.860 euro en voor aanslag­jaar 2021 (inkom­sten 2020) bedraagt ze 8.990 euro.
Die belast­ingvri­je som­men zijn net­tobedra­gen: 8.990 euro net­to komt (als u gebruik maakt van de for­faitaire bereken­ing van de beroep­skosten) overeen met een bru­tobedrag van 12.842,85 euro.

En dan is er nog de per­so­n­en­be­last­ing van de oud­ers: zijn kinderen met een stu­den­ten­job nog ten laste van hun oud­ers? Naast de stan­daard­voor­waar­den dat het kind deel moet uit­mak­en van het gezin en geen inkom­sten mag geni­eten die beroep­skosten zijn van de oud­ers, geldt ook dat het kind slechts in beperk­te mate eigen bestaans­mid­de­len mag hebben. Er zijn 3 hypothe­ses met 3 ver­schil­lende maxima:

Het kind is ten laste van bei­de oud­ers: 3.330 euro.

Het kind is niet gehand­i­capt en ten laste van één oud­er: 4.810 euro.

Het kind is gehand­i­capt en ten laste van één oud­er: 6.110 euro.

Dit zijn de bedra­gen zoals die gelden voor inkom­sten 2019 (aanslag­jaar 2020) en het gaat om de net­tobedra­gen (wat gelijk is aan bru­to min 20%).

Inkom­sten uit een stu­den­ten­job wor­den ten belope van 2.780 euro niet meegeteld als eigen bestaans­mid­de­len. Dit betekent dat als een job­stu­dent ten laste is van bei­de oud­ers, hij/​zij een bru­to-inkomen kan ont­van­gen van 6.942,50 euro.
Immers: 6.942,50 — 2.780,00 = 4.162,50 euro — 20% = 3.330 euro.
Afhanke­lijk van hoeveel kinderen er zij, kan de stu­den­ten­job toch wel wat geld kosten als de stu­dent daar­door niet langer ten laste is van de ouders.

Coro­nas­te­un­maa­tregel voor jobstudenten

Als maa­tregel om stu­den­te­nar­beid te onder­s­te­unen tij­dens de coro­nacri­sis besliste de regering om de stu­den­te­nar­beid tij­dens het tweede kwartaal van 2020 (de maan­den april, mei en juni) buiten het con­tin­gent te houden. Dat heeft 2 gevolgen :

De uren van het tweede kwartaal wor­den niet meegeteld om te kijken of de grens van 475 uren niet over­schre­den werd in 2020.

Er wordt geen bedri­jfsvoorheff­ing inge­houden op deze lonen.

Maar opgelet: de andere beperkin­gen (en dan denken we meer in het bij­zon­der aan de regels inza­ke per­soon ten laste voor kinder­bi­js­lag en fis­caal) bli­jven wel onverko­rt gelden. Extra veel mogen werken betekent dus niet dat u er meer aan overhoudt.