De beperkte aansprakelijkheid van de werknemer

Terug naar het overzicht

30 november 2022

De beperk­te aansprake­lijkheid van de werknemer

Werkne­mers zijn in principe niet aansprake­lijk voor de schade die ze in de uitvo­er­ing van hun arbei­dsovereenkomst toe­bren­gen aan de werkgev­er of aan der­den. Het is slechts in uit­zon­der­lijke sit­u­aties dat zij toch aansprake­lijk gesteld worden.

Wie het pot­je breekt…

In principe is iedereen die schade veroorza­akt aan een ander, ver­plicht die schade te ver­goe­den. Daar­toe moeten 3 voor­waar­den vervuld zijn: er is een fout, er is een schade en er is een oorza­ke­lijk ver­band tussen beide.

Dit basis­principe uit ons Burg­er­lijk Wet­boek wordt voor wat de werkne­mers betre­ft deels buiten werk­ing gesteld door de Arbei­dsovereenkom­sten­wet van 3 juli 1978. Artikel 18 van die wet stelt het volgende:

Ingeval de werkne­mer bij de uitvo­er­ing van zijn overeenkomst de werkgev­er of der­den schade berokkent, is hij enkel aansprake­lijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprake­lijk als die bij hem eerder gewoon­lijk dan toe­val­lig voorkomt.

Dus als er geen sprake is van bedrog, van zware fout of van een gewoon­lijke lichte fout, is de werkne­mer niet aansprake­lijk voor de schade die hij veroorzaakt.

Wan­neer wel aansprakelijk?

Anderz­i­jds is de werkne­mer wel aansprake­lijk voor de fouten die hij opzettelijk veroorza­akt.
Een typ­isch voor­beeld is dat van de werkne­mer die schade toe­brengt aan de acti­va van de werkgev­er omdat hij geen bonus kreeg en anderen wel. Ook dief­stal valt hieronder.

De werkne­mer is ook aansprake­lijk voor zware fouten. Hier is geen sprake van een opzettelijke fout of een fout met het oog­merk om schade te veroorza­k­en, maar eerder van een gedrag­ing waar­van de werkne­mer had kun­nen weten dat er schade zou uit voortvloeien. In zo’n geval zal de rechter veel meer reken­ing houden met bepaalde omstandighe­den die eventueel als verzach­t­ende omstandighe­den aan­vaard kun­nen wor­den.
Een typ­isch voor­beeld van zo’n verzach­t­ende omstandigheid is de werk­druk.
Ook het gebrek aan ervar­ing werd door recht­spraak al als excu­us aan­vaard, waar­door de fout van de werkne­mer niet beschouwd werd als een zware fout.

Ten slotte kan de werkne­mer ook aansprake­lijk gesteld wor­den voor een lichte fout als hij die fout telkens opnieuw maakt.
Rechters aan­vaar­den dat als een werkne­mer steeds weer een teko­rt heeft in de kas­sa, hij de schade moet vergoeden.

Bij de uitvo­er­ing van zijn overeenkomst

De beperk­te aansprake­lijkheid van de werkne­mer speelt enkel indi­en “de schade door fout” zich heeft voorgedaan bin­nen het kad­er van de uitvo­er­ing van de arbei­dsovereenkomst.
Als de werkne­mer op de park­ing van het bedri­jf met zijn wagen tegen die van de baas botst, speelt er uit­er­aard geen arbei­d­sre­latie en is er een schade­v­er­goed­ing ver­schuldigd vol­gens de gebruike­lijke burg­er­rechtelijke regels.

Let op: de regeling inza­ke de foutaansprake­lijkheid van de werkne­mer staat los van de mogelijkhe­den van de werkgev­er om de werkne­mer te ontslaan. Uit­er­aard mag men verwacht­en dat de werkgev­er vol­doende rede­nen heeft om de werkne­mer te ontslaan als vast komt te staan dat hij bijvoor­beeld bedrog heeft gepleegd.
Maar fout en ontslag staan, strikt juridisch gezien, los van elka­ar.
Stel dat een werkne­mer betrapt wordt op het ste­len van enkele pakken papi­er, dan kan de werkgev­er de werkne­mer vra­gen om die pakken papi­er terug te betal­en, maar de kans dat dit zal lei­den tot een ontslag om drin­gende rede­nen is eerder klein.

Schade­v­er­goed­ing

Als vast staat dat de werkne­mer aansprake­lijk is, dan is er nog de vraag van de schade­v­er­goed­ing.
Uit­er­aard moet de werkgev­er aan­to­nen hoe groot de schade is. Ver­vol­gens mag de werkgev­er het bedrag van de schade aftrekken van het loon dat nog moet uit­ge­keerd worden.

Artikel 23 van de Loonbescher­mingswet bevat echter enkele beperkin­gen. Dat artikel bepaalt welke som­men afgetrokken mogen wor­den van het loon van de werkne­mer vóór het effec­tief wordt uit­ge­keerd. Het gaat om belast­ingschulden, bepaalde geld­boetes, en ook om de schade­v­er­goedin­gen wegens bedrog, zware of gewoon­lijk voorkomende lichte fout.

Het totaal van die toege­lat­en inhoudin­gen mag echter niet meer bedra­gen dan 1/​5e van het ver­schuldigde loon in speciën, na aftrek van de belast­ing- en RSZ-schulden.

Er bestaan twee uit­zon­derin­gen op die beperk­ing tot 1/​5e:

als de werkne­mer bedrog heeft gepleegd; of

als de werkne­mer nog schade­v­er­goedin­gen moet betal­en en hij vóór de afreken­ing van die schade­loosstellin­gen vri­jwillig zijn dien­st­be­trekking heeft beëindigd.

In de prak­tijk is de werkne­mer slechts zelden aansprake­lijk voor de fouten die hij maakt, ongeacht de omvang van de schade die werd veroorza­akt. Maar als de werkne­mer het écht te bont maakt, dan kan de werkgev­er wel een schade­v­er­goed­ing vorderen. Omdat ook het loon van de werkne­mer bescher­md is, is de inning van die ver­goed­ing echter een moeil­ijke klus.