Btw-controle van permanent verlieslatende activiteiten

Terug naar het overzicht

22 februari 2021

Btw-con­t­role van per­ma­nent ver­lies­la­tende activiteiten

Wie zijn (uit de hand gelopen) hob­by in een zelf­s­tandi­ge activiteit omzet om de ver­liezen ervan te kun­nen aftrekken van andere inkom­sten, moet uitk­ijken. Via dat­a­min­ing haalt de fis­cus onderne­min­gen die per­ma­nent ver­lies lij­den eruit en wordt, na con­t­role, het ver­lies van de activiteit op nul gezet. Nu zet de fis­cus de aan­val ook in op de btw-aftrek.

Inkom­sten­be­lastin­gen

Er is heel wat recht­spraak over belast­ing­plichti­gen die een manège of een paar­den­fokker­ij begin­nen en daar­bij de kosten van die activiteit aftrekken van hun andere inkom­sten. Na ver­loop van tijd blijkt dan dat de fis­cus (vaak gevol­gd door de recht­banken) de activiteit als een hob­by kwal­i­ficeert en de koste­naftrek her­lei­dt tot nul.

Via dat­a­min­ing screent de fis­cus onderne­min­gen die 5 jaar of meer na hun start nog steeds geen posi­tieve resul­tat­en kun­nen voor­leggen. De onderne­mer kri­jgt een vraag om inlichtin­gen met de meld­ing dat de bedoel­ing is om de koste­naftrek te ver­w­er­pen en zodoende het resul­taat van de activiteit op nul te brengen.

Btw

Inza­ke btw komt de dis­cussie min­der voor omdat het win­st­gevend karak­ter van een onderne­m­ing daar eigen­lijk niet doorslaggevend is. Ten­min­ste vol­gens som­mige recht­spraak. Het hof van beroep van Antwer­pen staat alvast wel aan de kant van de belastingplichtige.

Na bij­na 20 jaar komt de fis­cus tot de ont­dekking dat een ven­nootschap sinds zijn opricht­ing nog geen winst maak­te. De ven­nootschap heeft als doel het fokken van sport­paar­den en ze reg­istreert zich voor btw-doelein­den als “dek­sta­tion voor paar­den”.
Er is wel heel wat activiteit (er wordt gefokt, er wordt aan train­ing gedaan, er is de verkoop van sper­ma en de ven­nootschap schri­jft zich ook in voor pro­fes­sionele sportwed­stri­j­den).
Maar de fis­cus stelt vast dat er amper omzet is en al hele­maal geen winst. Daarom meent de Btw-admin­is­tratie dat de ven­nootschap niet als een btw-belast­ing­plichtige kan kwal­i­fi­ceren waar­door ze de btw-aftrek verliest.

De zaak komt voor de recht­bank van Antwer­pen die de fis­cus in het gelijk stelt: de ver­richtin­gen van de ven­nootschap zijn han­delin­gen zon­der economis­che waarde, omdat de zaak niet wordt gebruikt om er werke­lijk duurzame opbreng­sten uit te verkri­j­gen.
Het hof van beroep ver­breekt dit arrest. Terecht, want btw-plicht is niet gekop­peld aan winst mak­en, maar wel aan de economis­che activiteit.

Besliss­ing van het hof van beroep

Voor het hof stelt de ven­nootschap dat zij wel degelijk een economis­che activiteit uitoe­fent: de ven­nootschap werd opgericht met een spec­i­fiek doel, is ingeschreven in de Kruis­punt­bank van Onderne­min­gen, is onder­wor­pen aan de ven­nootschaps­be­last­ing.
Verder (en zek­er niet min­der belan­grijk) toont de ven­nootschap ook aan dat ze over de nodi­ge ver­gun­nin­gen beschikt, dat er een pro­fes­sionele infra­struc­tu­ur aan­wezig is. Er is ook per­son­eel en ze beschikt over een groot paar­den- en sper­mabe­stand.
Er wor­den ook effec­tief verkopen gere­aliseerd.
De activiteit is weliswaar niet rend­abel maar dat is voor btw-doelein­den niet relevant.

De fis­cus kijkt naar de defin­i­tie van “economis­che activiteit”. Opdat er sprake is van een economis­che activiteit spe­len ele­menten zoals de aard van de geëx­ploiteerde zaak, de wijze en de con­text van ver­w­erv­ing, de inkom­sten die uit deze exploitatie wor­den verkre­gen, de wijze van financier­ing van de activiteit, het al dan niet bestaan van actieve han­delin­gen inza­ke com­mer­cialis­er­ing, de exploitatievoor­waar­den, de hoedanigheid van de exploitant, de aard van het cliën­teel, enz.
De fis­cus stelt vast dat er slechts een beperkt aan­tal belast­bare han­delin­gen wor­den gesteld, dat er vri­jwel uit­slui­tend inkomende han­delin­gen zijn, er struc­turele ver­liezen wor­den gele­den en dat de ven­nootschap vooral gefi­nancierd wor­den via de reken­ing-courant van de zaakvo­er­ster en kap­i­taal­in­jec­ties van ver­bon­den ondernemingen.

Vol­gens de fis­cus blijkt uit de feit­en dat de ven­nootschap niet de inten­tie had om zich als pro­fes­sioneel paar­den­fokker op de markt te begeven maar dat het om een hob­by gaat. Daarom beschouwt ze de ven­nootschap als eind­ver­bruik­er van de dien­sten en goed­eren die ze afnam en moet ze de btw terugstorten.

Het hof gri­jpt terug naar de defin­i­tie van “belast­ing­plichtige”.
Het hof weer­legt in eerste instantie het argu­ment dat uit het feit dat de ven­nootschap steeds ver­lies­la­tend is, mag afgeleid wor­den dat er geen economis­che activiteit zou zijn. Het vol­staat dat er duurzame opbreng­sten wor­den behaald. Niet dat er winst gemaakt moet wor­den.
In het Bel­gis­che wet­boek wordt zelfs uit­drukke­lijk gesteld dat er sprake kan zijn van een economis­che activiteit ongeacht of er win­stoog­merk is.
Er is ook duurza­amheid want de ven­nootschap werd al opgericht in 1997 ter­wi­jl de dis­cussie hier gaat over het tijd­perk 2014 – 2017.
Het hof stelt dan vast dat de ven­nootschap wel degelijk een ver­goed­ing kri­jgt voor haar dien­sten (waaron­der de ver­hur­ing van stallen) of voor het sper­ma dat zij verkoopt.
De activiteit over­sti­jgt vol­gens het hof het niveau van een hobby.

Verdeelde recht­spraak

Het hof van beroep van Antwer­pen ziet dus geen hob­by ter­wi­jl de recht­bank dat wel deed. Ook voor andere hov­en wer­den al enkele gelijkaardi­ge casussen voorgelegd met wis­se­lende uitkom­sten. In dit geval lijkt het er vooral op dat de activiteit vol­doende pro­fes­sioneel werd aangepakt, met toch enige inkom­sten (zij het onvol­doende) en over een lan­gere peri­ode. Maar het is een del­i­cate dis­cussie die soms — zoals in dit geval — slechts na jaren dis­cussie beslecht kan worden.