Autofiscaliteit: vennootschapsbelasting op meerwaarden

Terug naar het overzicht

01 september 2022

Aut­ofis­caliteit: ven­nootschaps­be­last­ing op meerwaarden

De aftrek van de kosten van per­so­n­en­wa­gens wordt beperkt op basis van de CO2-uit­stoot van het voer­tu­ig. Logis­cher­wi­jze zou een meer­waarde bij verkoop van het voer­tu­ig dan ook maar beperk­te belast­baar mogen zijn. Maar fis­caliteit rijmt niet alti­jd met logica.

Aftrek

In de ven­nootschaps­be­last­ing en, sinds 2020, ook in de per­so­n­en­be­last­ing, is de aftrek van kosten die te mak­en hebben met een per­so­n­en­wa­gen afhanke­lijk van de CO2-uit­stoot van het betrokken voer­tu­ig. De bas­is­for­mule luidt als vol­gt:
120 — (0,5 x coëf­fi­ciënt x CO2-uit­stoot gr/​km).

De coëf­fi­ciënt in deze for­mule bedraagt:

1 voor voer­tu­igen met een dieselmotor;

0,90 voor voer­tu­igen op aardgas met min­der dan 12 fis­cale pk; en

0,95 voor alle andere voertuigen.

Het resul­taat van deze bereken­ing mag niet hoger zijn dan 100% (bv. voor elek­trische voer­tu­igen) en mag niet lager zijn dan 50%, behalve als het voer­tu­ig een C02-uit­stoot heeft van meer dan 200 gr/​km. Voor die voer­tu­igen is de aftrek stan­daard beperkt tot 40%.

Dit is de for­mule voor het jaar 2022, maar in de loop van de vol­gende jaren wordt de aut­ofis­caliteit grondig over­hoop gehaald en wordt de aftrek van de CO2-uit­sto­tende per­so­n­en­wa­gens over de vol­gende 5 jaar gradueel tot nul herleid.

Belast­baarheid

Als de ven­nootschap een voer­tu­ig verkoopt waar­van de afschri­jvin­gen, maar ook andere kosten, onder­wor­pen wer­den aan boven­staande aftrek­beperk­ing, dan wordt de belast­bare basis van de meer­waarde in de regel op dezelfde manier beperkt.
Maar dat principe geldt blijk­baar niet altijd.

Verkoop na renting

Een ven­nootschap kan een voer­tu­ig op drie manieren verwerven: 

via een sim­pele aankoop;

via finan­ciële leas­ing (wat alge­meen beschouwd wordt als een financier­ingsvorm); en 

ten slotte via oper­a­tionele leas­ing (ook bek­end als ‘rent­ing’).

Rent­ing is echt huren, waar­bij het con­tract een aankoopop­tie kan bevat­ten, maar dat hoeft niet. Als de ven­nootschap die aankoopop­tie niet licht, dan bli­jft het voer­tu­ig eigen­dom van de ver­hu­ur­der. Als de ven­nootschap de aankoopop­tie wel licht, dan koopt ze het voer­tu­ig op het einde van het con­tract tegen de vooraf afge­spro­ken pri­js en onder de vooraf bepaalde voorwaarden.

De huur die de ven­nootschap betaalt is onder­wor­pen aan de beperk­ing die hier­boven werd beschreven.

Als een ven­nootschap een wagen op het einde van een rent­ing­con­tract aankoopt en ze dat voer­tu­ig ver­vol­gens weer verkoopt met een meer­waarde, lijkt het logisch dat de belast­bare basis ook beperkt zou wor­den. Maar de min­is­ter heeft een andere mening en vol­gens de let­ter van de wet heeft hij nog gelijk ook.

Immers, het par­al­lel­lisme tussen de aftrek­beperk­ing en de beperk­ing van de belast­bare basis gaat enkel op als de ‘afschri­jvin­gen’ beperkt wer­den. Maar de ven­nootschap huurde het voer­tu­ig en heeft dus nooit afschri­jvin­gen geboekt, enkel huurgelden.

Stel dat de ven­nootschap het voer­tu­ig nog een jaart­je gebruikt. In dat geval zal het voer­tu­ig wél afgeschreven wor­den in de ven­nootschap. De pri­js waarte­gen de optie werd gelicht, is dan de afschri­jv­ingswaarde van het voer­tu­ig en daarop kan dan afgeschreven worden.

Liev­er geen rent­ing meer?

Met de nakende her­vorm­ing van de aut­ofis­caliteit is het sowieso geen goed idee om nog CO2-uit­sto­tende per­so­n­en­wa­gens aan te schaf­fen, maar hou er intussen reken­ing mee dat een ven­nootschap na rent­ing best niet meteen verkoopt.